Reacties op Boeken.
“The Revolt of the masses” by Jose Ortega y Gasset (1930).
03-02-2017
Bij het lezen van Ortega y Gassets The Revolt of the Masses werd ik getroffen door de stelling in het voorwoord: een staat zou idealiter moeten worden geleid door een intellectuele elite. Die gedachte spreekt me in eerste instantie aan — misschien zelfs wat naïef — omdat ik lange tijd heb gehoopt dat de wereld vanzelf zou worden bestuurd door verstandige, idealistische mensen. Instellingen als de Verenigde Naties lijken een poging tot zo’n wereldorde, maar in werkelijkheid blijken ze vaak te opereren als compromisorganen tussen nationale belangen en machtsblokken, eerder dan als idealistisch kompas.
Ook in onze nationale politiek zien we dit spanningsveld. Politieke partijen verkondigen hun idealen, maar doen dat vaak met een populistische strategie: ze buigen hun boodschap zo dat die maximaal aanslaat bij een breed electoraat, in plaats van trouw te blijven aan hun diepste overtuiging.
De kernvraag is: heeft ‘de massa’ wel het inzicht en de lange-termijnvisie om een samenleving duurzaam te besturen? Of zou het beter zijn dat leiding wordt gegeven door mensen met kennis, ervaring, en integriteit — kortom, een elite? Maar die oplossing roept meteen nieuwe vragen op: wie bepaalt wie tot zo’n elite behoort? Welke criteria gebruiken we? En hoe voorkomen we dat deze elite na verloop van tijd zelfgenoegzaam, afstandelijk of zelfs corrupt wordt?
Deze vragen zijn al duizenden jaren oud. In De Staat laat Plato (Athene, ca. 427 v.Chr. – aldaar, 347 v.Chr.) zijn personages discussiëren over verschillende staatsvormen. Zijn voorkeur gaat uit naar de filosoof-koning: een leider die opgeleid is in rechtvaardigheid en wijsheid, en daarom bij uitstek geschikt om te regeren. Karl Popper (1902-1994) bekritiseerde Plato fel om deze opvatting. Volgens Popper is het gevaarlijk om te zoeken naar de ‘beste heerser’. Veel belangrijker, zo stelt hij, is het ontwerp van een systeem waarin slechte leiders veilig kunnen worden vervangen zonder bloedvergieten. Dáárin schuilt volgens hem de ware kracht van de democratie.
Die gedachte wordt ook gedeeld door natuurkundige Sean Carroll. In zijn podcast Mindscape benadrukt hij dat verkiezingen op zich nog geen bewijs zijn van een functionerende democratie. Het doorslaggevende criterium is of de macht op regelmatige en vreedzame wijze kan worden overgedragen. Rusland is hier een sprekend tegenvoorbeeld: er zijn verkiezingen, maar de machtswisseling zelf lijkt systematisch onmogelijk te worden gemaakt.
“De Meeste Mensen Deugen”, by Rutger Bregman (2019).
De titel van het boek roept direct fundamentele vragen op. Wat bedoelen we eigenlijk met “deugen”? Wiens maatstaf hanteren we: die van Rutger Bregman zelf, van een liberaal-democratische samenleving, of misschien die van een religieuze of extremistische ideologie? En als het klopt dat “de meeste mensen” deugen — wat betekent dat dan praktisch voor ons gedrag of wereldbeeld? Is onze samenleving niet al impliciet gebaseerd op het vertrouwen dat anderen zich meestal fatsoenlijk gedragen?
Bregman onderbouwt zijn stelling met historische voorbeelden waarin mensen onder druk toch moreel lijken te handelen. Maar het blijft de vraag of deze voorbeelden representatief zijn voor de mensheid als geheel. Er lijkt geen empirische basis te zijn die de bewering op wereldschaal rechtvaardigt. Zijn er statistische gegevens per continent of cultuurgebied? En zo ja, welke “deugnorm” gebruiken we om dat te meten?
Een enkele dramatische uitzondering is soms genoeg om een systeem te ontwrichten. Neem het voorbeeld van een vliegtuig met vijfhonderd passagiers, waarvan er één een zelfmoordterrorist blijkt te zijn. Hoewel 99,8% van de mensen in dat toestel “deugt”, leidt één afwijking tot rampzalige gevolgen. Wat moeten we dan met de geruststellende boodschap dat “de meeste mensen” welwillend zijn? Verandert dat onze gedragskeuzes of levenshouding wezenlijk?
Bregman verzet zich tegen het idee dat altruïstisch gedrag voortkomt uit egoïstische motieven en noemt dat cynisch. Maar wellicht is het zinvoller om de term “egoïsme” zelf te heroverwegen. Die term is zwaar beladen. In plaats daarvan kunnen we spreken van egocentrisme of subjectieve overlevingslogica. Een treffende metafoor hiervoor is het zuurstofkapje in het vliegtuig: passagiers wordt geadviseerd eerst hun eigen kapje op te zetten voordat ze anderen helpen. Dat lijkt egoïstisch, maar is in werkelijkheid een noodzakelijke voorwaarde om effectief te kunnen zorgen voor de ander. In bredere zin: men kan pas bijdragen aan het voortbestaan van de groep als men eerst zelf in staat is te functioneren.
Vanuit evolutionair perspectief is gedrag dat “deugt” niet per se moreel of weloverwogen. Het is veeleer een geprogrammeerde neiging in ons genetisch systeem — ontwikkeld om de kans op overleven van individu én groep te vergroten. Wat wij als “goed” beschouwen is dus niet absoluut, maar contextueel, pragmatisch en variabel. De ene mens is empathischer dan de ander, maar dat verschil is juist evolutionair van belang. In sommige omgevingen overleven de meer coöperatieve types, in andere de opportunisten. In die zin is het misschien zelfs wenselijk dat niet iedereen “deugt”.
De populariteit van Bregmans boek lijkt deels voort te komen uit het verlangen naar een positief mensbeeld — een soort collectieve zelfaffirmatie. De boodschap dat wij, als soort, “wel goed zitten” in moreel opzicht, geeft een geruststellend gevoel. Dat is begrijpelijk. Maar tegelijk wringt het, wanneer dit optimisme wordt gepresenteerd als iets radicaal nieuws of baanbrekend. De idee dat mensen doorgaans vertrouwen verdienen, vormt immers al lang de stilzwijgende basis van het sociaal verkeer. Als we werkelijk zouden geloven dat mensen overwegend níét deugen, zouden we geen postbode vertrouwen, geen brug overlopen en zelfs geen gesprek aangaan. We nemen dagelijks talloze sociale risico’s, juist omdat het sociale contract — dat de meeste mensen zich aan basale fatsoensnormen houden — al verinnerlijkt is.
Bregmans Engelse titel, Humankind: A Hopeful History, suggereert meer bescheidenheid dan de Nederlandse versie. Misschien dat men in het Engels bewust afstand heeft genomen van de beladen en normatieve formulering “de meeste mensen deugen”. Want dat is, bij nadere beschouwing, eerder een waardeoordeel dan een feitelijke constatering.
Concluderend: het boek roept relevante vragen op en verdient waardering om zijn optimistische toon. Maar een beschouwend lezer mag kritische kanttekeningen plaatsen bij de pretentie, de bewijslast en het normatieve kader waarin “deugen” wordt gepresenteerd.