Moraal, mensbeeld en evolutionair gedrag
Reacties op Boeken.
“The Revolt of the masses” by Jose Ortega y Gasset (1930).
Bij het lezen van Ortega y Gassets The Revolt of the Masses werd ik getroffen door de stelling in het voorwoord: een staat zou idealiter moeten worden geleid door een intellectuele elite. Die gedachte spreekt me in eerste instantie aan, misschien zelfs wat naïef, omdat ik lange tijd heb gehoopt dat de wereld vanzelf zou worden bestuurd door verstandige, idealistische mensen. Instellingen als de Verenigde Naties lijken een poging tot zo’n wereldorde, maar in werkelijkheid blijken ze vaak te opereren als compromisorganen tussen nationale belangen en machtsblokken, eerder dan als idealistisch kompas. Het probleem is hier uiteraard of er wel een universeel idealistisch kompas bestaat?
Ook in onze nationale politiek zien we dit spanningsveld. Politieke partijen verkondigen hun idealen, maar doen dat vaak met een populistische strategie: ze buigen hun boodschap zo dat die maximaal aanslaat bij een breed electoraat, in plaats van trouw te blijven aan hun diepste overtuiging.
De kernvraag is: heeft ‘de massa’ wel het inzicht en de lange-termijnvisie om een samenleving duurzaam te besturen? Of zou het beter zijn dat leiding wordt gegeven door mensen met kennis, ervaring, en integriteit, kortom, een elite? Maar die oplossing roept meteen nieuwe vragen op: wie bepaalt wie tot zo’n elite behoort? Welke criteria gebruiken we? En hoe voorkomen we dat deze elite na verloop van tijd zelfgenoegzaam, afstandelijk of zelfs corrupt wordt?
Deze vragen zijn al duizenden jaren oud. In De Staat laat Plato (Athene, ca. 427 v.Chr. – aldaar, 347 v.Chr.) zijn personages discussiëren over verschillende staatsvormen. Zijn voorkeur gaat uit naar de filosoof-koning: een leider die opgeleid is in rechtvaardigheid en wijsheid, en daarom bij uitstek geschikt om te regeren. Karl Popper (1902-1994) bekritiseerde Plato fel om deze opvatting. Volgens Popper is het gevaarlijk om te zoeken naar de ‘beste heerser’. Veel belangrijker, zo stelt hij, is het ontwerp van een systeem waarin slechte leiders veilig kunnen worden vervangen zonder bloedvergieten. Dáárin schuilt volgens hem de ware kracht van de democratie.
Die gedachte wordt ook gedeeld door natuurkundige Sean Carroll. In zijn podcast Mindscape benadrukt hij dat verkiezingen op zich nog geen bewijs zijn van een functionerende democratie. Het doorslaggevende criterium is of de macht op regelmatige en vreedzame wijze kan worden overgedragen. Rusland is hier een sprekend tegenvoorbeeld: er zijn verkiezingen, maar de machtswisseling zelf lijkt systematisch onmogelijk te worden gemaakt.
“De meeste mensen deugen”, van Rutger Bregman (2019).
De titel van het boek roept direct fundamentele vragen op. Wat bedoelen we eigenlijk met “deugen”? Wiens maatstaf hanteren we: die van Rutger Bregman zelf, van een liberaal-democratische samenleving, of misschien die van een religieuze of extremistische ideologie? En als het klopt dat “de meeste mensen” deugen, wat betekent dat dan praktisch voor ons gedrag of wereldbeeld? Is onze samenleving niet al impliciet gebaseerd op het vertrouwen dat anderen zich meestal fatsoenlijk gedragen?
Bregman onderbouwt zijn stelling met historische voorbeelden waarin mensen onder druk toch moreel lijken te handelen. Maar het blijft de vraag of deze voorbeelden representatief zijn voor de mensheid als geheel. Er lijkt geen harde empirische basis te zijn die de bewering op wereldschaal rechtvaardigt. Zijn er statistische gegevens per continent of cultuurgebied? En zo ja, welke “deugnorm” gebruiken we dan om dat te meten?
Misschien ligt het probleem nog fundamenteler: de indeling van mensen in slechts twee categorieën, mensen die “deugen” en mensen die “niet deugen”, is mogelijk te simplistisch. Menselijk gedrag ontstaat immers altijd binnen een bepaalde context. Hoe iemand handelt, hangt sterk af van omstandigheden zoals cultuur, opvoeding, sociale druk, angst, schaarste, macht of groepsdynamiek.
Wat in de ene cultuur als moreel of wenselijk wordt beschouwd, kan elders juist als verkeerd of zelfs immoreel worden gezien. Begrippen als goed, slecht, fatsoenlijk of kwaadaardig blijken daardoor minder absoluut dan vaak wordt aangenomen. Misschien bestaat ieder mens uit een combinatie van zowel “deugende” als minder “deugende” eigenschappen, waarbij de balans van persoon tot persoon verschilt en voortdurend kan verschuiven afhankelijk van de situatie.
Een mens die in vredestijd behulpzaam en empathisch is, kan onder extreme druk ineens hard of gewelddadig handelen. Omgekeerd kunnen mensen die normaal egoïstisch lijken, in crisissituaties onverwacht moed of solidariteit tonen. Daarmee wordt “deugen” eerder een dynamisch spectrum dan een vaste eigenschap.
Een enkele dramatische uitzondering is bovendien soms genoeg om een systeem volledig te ontwrichten. Neem het voorbeeld van een vliegtuig met vijfhonderd passagiers, waarvan er één een zelfmoordterrorist blijkt te zijn. Hoewel 99,8% van de mensen in dat toestel “deugt”, leidt één afwijking tot rampzalige gevolgen. Wat moeten we dan met de geruststellende boodschap dat “de meeste mensen” welwillend zijn? Verandert dat onze gedragskeuzes of levenshouding wezenlijk?
Bregman verzet zich tegen het idee dat altruïstisch gedrag uiteindelijk voortkomt uit egoïstische motieven en noemt dat cynisch. Maar wellicht is het zinvoller om de term “egoïsme” zelf te heroverwegen. Die term is zwaar moreel beladen. In plaats daarvan zouden we kunnen spreken van egocentrisme of subjectieve overlevingslogica.
Een treffende metafoor hiervoor is het zuurstofkapje in een vliegtuig. Passagiers krijgen de instructie eerst hun eigen zuurstofmasker op te zetten voordat zij anderen helpen. Dat lijkt op het eerste gezicht egoïstisch, maar is juist een noodzakelijke voorwaarde om effectief voor anderen te kunnen zorgen. In bredere zin kan een individu pas bijdragen aan het voortbestaan van de groep wanneer het zelf voldoende functioneert.
Vanuit evolutionair perspectief is gedrag dat wij als “goed” beschouwen daarom niet per se moreel of bewust verheven. Het kan ook worden gezien als een evolutionair ontwikkelde gedragsstrategie die de overlevingskansen van individu én groep vergroot. Samenwerking, empathie en vertrouwen zijn in veel omstandigheden voordelig voor een gemeenschap, maar dat geldt soms ook voor competitie, agressie of opportunisme.
Wat wij “goed” noemen is dus niet absoluut, maar vaak contextueel, pragmatisch en cultureel bepaald. De ene mens is empathischer dan de andere, maar juist die variatie kan evolutionair van belang zijn. In sommige omstandigheden overleven vooral coöperatieve groepen, terwijl in andere situaties juist competitieve of opportunistische eigenschappen voordeel opleveren. In die zin is het misschien zelfs functioneel dat niet iedereen volledig “deugt”.
De populariteit van Bregmans boek lijkt deels voort te komen uit een diep menselijk verlangen naar een positief mensbeeld, een vorm van collectieve zelfbevestiging. De boodschap dat wij als soort in wezen goed zijn, geeft een geruststellend gevoel. Dat is begrijpelijk. Tegelijkertijd wringt het wanneer deze gedachte wordt gepresenteerd als iets radicaal nieuws of wetenschappelijk bewezen.
Het idee dat mensen doorgaans voldoende betrouwbaar zijn, vormt immers al eeuwenlang de impliciete basis van onze samenleving. Als wij werkelijk zouden geloven dat mensen overwegend níét deugen, zouden wij geen onbekende postbode vertrouwen, geen brug oversteken die door anderen is gebouwd en zelfs nauwelijks een gesprek met vreemden durven aangaan. Het sociale verkeer functioneert juist omdat het merendeel van de mensen zich meestal aan bepaalde gedragsnormen houdt.
De Engelse titel van het boek, Humankind: A Hopeful History, klinkt daarom misschien bescheidener en genuanceerder dan de Nederlandse titel De meeste mensen deugen. Mogelijk heeft men in het Engels bewust afstand genomen van de meer normatieve en absolute formulering van de Nederlandse versie. Want uiteindelijk blijft “deugen” eerder een waardeoordeel dan een objectief meetbaar feit.
Concluderend kan worden gesteld dat het boek een optimistische benadering van de mens beschrijft. Tegelijkertijd mag een beschouwend lezer kritische kanttekeningen plaatsen bij de gebruikte definities, de bewijslast en het normatieve kader waarin begrippen als goed, slecht en “deugen” worden gepresenteerd.
Egoïsme en empathie
In onze samenleving heeft het begrip egoïsme meestal een negatieve betekenis. Men wordt geacht zich schuldig te voelen wanneer men “egoïstisch” handelt. Toch kan men zich afvragen of egoïsme, in zekere mate, niet juist een noodzakelijke eigenschap is voor het overleven van het individu.
Vanuit evolutionair perspectief is het immers logisch dat een organisme eerst zijn eigen voortbestaan probeert veilig te stellen. Een individu dat volledig onverschillig zou staan tegenover zijn eigen welzijn, zou uiteindelijk moeilijk kunnen overleven. Tegelijkertijd blijkt ook empathie en gemeenschapsgevoel van groot belang. Mensen zijn sociale wezens en zijn voor hun veiligheid, samenwerking en voortbestaan afhankelijk van anderen.
Daardoor ontstaat een voortdurend spanningsveld tussen zelfbehoud en zorg voor de groep.
Wanneer iemand zich extreem egoïstisch gedraagt, kan dit leiden tot afwijzing door de gemeenschap, waardoor samenwerking en wederzijds vertrouwen afnemen. Maar wanneer iemand zichzelf volledig wegcijfert ten koste van het eigen welzijn, kan dat eveneens schadelijke gevolgen hebben. Het menselijk gedrag lijkt zich daarom vaak te bewegen tussen deze twee uitersten.
Misschien ervaren mensen gevoelens van voldoening of geluk juist wanneer er een zekere balans bestaat tussen persoonlijke belangen en sociale verbondenheid. In biologische termen spelen hierbij processen een rol zoals de aanmaak van dopamine en andere beloningsmechanismen, die gedrag versterken dat evolutionair gunstig blijkt.
Vanuit deze benadering hoeven egoïsme en empathie niet uitsluitend als morele tegenpolen te worden gezien, maar kunnen zij ook worden beschouwd als complementaire eigenschappen die zich evolutionair hebben ontwikkeld om het voortbestaan van individu én groep mogelijk te maken.
Groepsvorming, onbekendheid en wantrouwen
Ook begrippen zoals racisme en xenofobie worden vaak sterk moreel geladen besproken. Dat is begrijpelijk, gezien de historische en maatschappelijke gevolgen ervan. Toch kan men daarnaast proberen te onderzoeken welke evolutionaire en psychologische mechanismen mogelijk aan dergelijke reacties ten grondslag liggen.
Mensen zijn evolutionair ontwikkeld in relatief kleine groepen waarin het snel herkennen van mogelijke bedreigingen belangrijk kon zijn voor overleving. Daardoor bestaat mogelijk een natuurlijke neiging om voorzichtig te zijn tegenover onbekende situaties, onbekende groepen of afwijkende gewoonten.
Deze vorm van terughoudendheid hoeft bovendien niet uitsluitend betrekking te hebben op ras of afkomst. In bredere zin lijkt de mens voortdurend bezig risico’s en betrouwbaarheid in te schatten. Dat geldt niet alleen in sociale situaties, maar ook in moderne digitale omgevingen. Tegenwoordig moeten mensen bijvoorbeeld leren beoordelen of een e-mail frauduleus is, of een website betrouwbaar lijkt, of onbekende digitale communicatie mogelijk gevaarlijk is. Ook daar speelt een combinatie van ervaring, wantrouwen, herkenning en risicobeoordeling een belangrijke rol.
Vanuit dat perspectief kan wantrouwen worden gezien als een algemeen evolutionair beschermingsmechanisme tegenover het onbekende of potentieel bedreigende, en niet noodzakelijk uitsluitend als vijandigheid tegenover een bepaald ras of een specifieke cultuur.
Een dergelijke initiële voorzichtigheid hoeft op zichzelf nog geen racisme te zijn. Vaak vermindert wantrouwen wanneer mensen ervaring opdoen, elkaar beter leren kennen of betrouwbare informatie ontvangen over het onbekende. De menselijke geschiedenis laat zien dat samenwerking tussen verschillende groepen juist zeer goed mogelijk is wanneer wederzijds begrip en vertrouwen ontstaan.
Het probleem ontstaat wanneer natuurlijke voorzichtigheid omslaat in star denken, ontmenselijking of het systematisch negatief beoordelen van anderen uitsluitend op basis van afkomst, uiterlijk of cultuur. Dan ontstaan discriminatie en racisme in schadelijke zin.
Misschien is het daarom verstandiger om dergelijke menselijke neigingen niet alleen moreel te veroordelen, maar ook proberen te begrijpen. Begrip betekent daarbij niet hetzelfde als goedkeuring. Juist door inzicht te krijgen in de oorsprong van angst, groepsvorming en wantrouwen, kan men bewuster en verantwoordelijker met deze gevoelens omgaan.