Samenvatting van een Aantal Overpeinzingen.
Kernzin:
Ons gedrag is het resultaat van genetische drijfveren en neurologische beloningen, waarbij zowel zelfgericht gedrag als empathie evolutionaire functies vervullen.
Start:
- Alles wat we doen wordt bepaald door onze hersenen. Het is afhankelijk van de structuur van onze hersenen en die kan voor iedereen anders zijn; daarom gedraagt iedereen zich enigszins verschillend. De structuur van onze hersenen wordt bepaald door onze genen en deze worden weer bepaald door onze (voor)ouders.
- We krijgen een gevoel van geluk door een stofje dopamine dat in de hersenen, in de hypothalamus, wordt gemaakt. Het is dus een soort beloning.
- Eenieder streeft ernaar om zich gelukkig te voelen. Dus we doen die dingen die leiden tot een beloning. Dit leidt dus tot een, door het lichaam bepaalt, gewenst gedrag. Maar dat kan voor ieder persoon verschillend zijn: we kunnen ons beter voelen door alleen maar voor onszelf te kiezen, of bijvoorbeeld juist goed te doen voor een ander, waardoor we worden gewaardeerd door onze groepsleden en daardoor die dopamine aanmaakt, waardoor dit soort gedrag ten gunste van de groep wordt aangemoedigd.
- DNA zit in cellen en bevat alle programmering van ons lichaam. DNA is groot en blijft binnen de cel, maar RNA is de boodschapper die kan vanuit het DNA van de ene cel naar een nieuwe cel gaan om daar de informatie door te geven om de nieuwe cel de juiste functionaliteit te geven.
- In onze DNA zit de eigenschap om er zorg voor te dragen dat we blijven voortbestaan zowel als individu en als groep. We kunnen dus zeggen dat we zowel zelfgerichte drijfveren hebben als altruïstische drijfveren, het gevoel van empathie.
- We moeten daar eigenlijk geen waardeoordelen aan geven. Deze gevoelens zijn noodzakelijke voorwaarden voor ons bestaan. Als er al wezens hebben bestaan die dat op een of andere manier niet hadden dan zijn die blijkbaar uitgestorven. Dit is nu de belangrijke conclusie van de evolutietheorie. Niet omdat we zo nodig moeten voortbestaan, maar alleen die soorten wezens, met die eigenschappen, bestaan nu nog omdat ze anders uitgestorven zouden zijn. Toch is het ook noodzakelijk dat er veel variaties zijn, zodat de groep zich door evolutie aan kan passen aan veranderende situaties of omgevingen.
- Zoals Swaab in “Wij zijn ons brein” (2010) zegt: “het leven heeft geen doel”.
- In het boek van Susan Neiman (2002) in het hoofdstuk Hoop, en ook op andere plaatsen, wordt vaak gesproken of de mens over goedheid beschikt of dat hij zelfgericht is, of er moraliteit is. Het feit dat ze zich zo druk maken is dat ze blijkbaar toch hopen dat er moraliteit is.
- Het feit dat men in het algemeen moraliteit goed vindt, betekent dus dat de mens dit een belangrijk iets vindt en dat zegt al veel. In eerste instantie moeten we misschien niet over goed en slecht praten. De mens en de mensen als groep hebben door de evolutie het gevoel voor zelfbehoud als persoon en als zelfbehoud als groep. Daarom is er zowel zelfgericht gedrag als altruïsme, dat is niet zozeer goed of slecht maar zijn noodzakelijke eigenschappen om de kans op voortbestaan, als soort, te vergroten. Zouden die beiden er niet zijn dan zou de groep en dus de individuen uitgestorven zijn.
- De moraliteit komt niet uit geloof of andere externe opgelegde eigenschappen, maar zit in de genen en hebben zich over tijd door evolutie ontwikkeld. Als we dingen doen die een beloningsgevoel veroorzaken dan zal dat bevorderen dat we dat weer doen en zullen we dat gevoel door ervaring meer cultiveren. Ook zullen we leren van onze omgeving en de ervaringen die we met onze omgeving opdoen. Maar het komt er steeds weer op neer dat we streven, onbewust, naar dat beloningsgevoel omdat dit voor ons betekent dat wat we doen goed is. Dat beloningsgevoel wordt veroorzaakt door de stof dopamine die in de hypothalamus wordt aangemaakt. Het is ingewikkelder dan wat ik het hier noem, voor de juiste informatie is het beter Swaab te lezen, maar waar het op neerkomt, is dat het toch een chemische reactie is.
- Het verschijnsel altruïsme en moraliteit, het zich houden aan regels komt ook bij de diersoorten voor o.a. apengroepen, primaten, en die hebben geen wetboeken gemaakt of Bijbel of Koran gelezen. Ook in meerdere diersoorten zijn deze eigenschappen te vinden zoals o.a. dolfijnen, olifanten, en anderen. Het zit ook in hun DNA. Het is noodzakelijk voor het voortbestaan van de soort. We leggen te veel nadruk op het feit dat altruïsme goed is en zelfgericht gedrag slecht. Als een leeuw een lammetje op eet, is hij dan slecht en als hij dat niet doet en daardoor zijn welpjes laat verhongeren is hij daarmee goed? Het zijn noodzakelijke eigenschappen die we neutraal moeten accepteren en waar we mee om moeten gaan. Ik zie geen enkele reden om dit af te doen als “zijn we nu niets meer dan een chemisch fabriekje die zich laat leiden door chemische stofjes en hebben we niet iets hogers?”. So what, we zijn wie we zijn, we genieten van het leven, van seks, van geluk en idealen ook al is dat een chemisch proces en gezien de hoeveelheid mensen op deze
- aarde is dat nooit een belemmering geweest zonder opdracht van welke religie of wetboek dan ook, of het leven nu een doel heeft of niet.
- In zijn boek Ethica beschrijft Aristoteles (384-322 BC) het gedrag van de mens. Hij doet dat op zijn inzichten en zonder de invloed van religie. Zijn inzichten lijken universeel menselijk. Hij leefde van 384 voor Christus tot 322 voor Christus dus was niet beïnvloed door het christelijk geloof. Thomas van Aquino (1225-1274) schijnt veel van het werk van Aristoteles in het Christelijk geloof te hebben geïntegreerd behalve uiteraard God, Jezus etc.
- De mensheid maakt deel uit van het Universum, het Heelal. Om het totale systeem proberen te begrijpen, moet men een universeel of holistisch perspectief hanteren. Het gevolg hiervan is dat de mens bescheiden moet zijn in zijn opvattingen over ethiek en zeden, over wat juist en wat fout is. De regels, over wat juist of fout is, zijn menselijke constructies; het zijn keuzes van mensen over hoe de mensheid op een redelijke manier samen kan leven; ze reiken niet verder dan het menselijke domein. Vanuit dat universele perspectief kunnen menselijke ethische normen bijvoorbeeld in conflict komen met het voortbestaan van de Aarde, natuurlijke hulpbronnen, dieren, enzovoort. Vanuit een universeel oogpunt zijn er geen ethische regels, omdat ze evolueren zoals ze evolueren; er is geen universeel doel; afgezien misschien van de regel dat de tweede wet van de thermodynamica stelt dat de som van entropie nooit afneemt, dat wil zeggen dat de natuur streeft naar een evenwichtstoestand, het equilibrium; maar hier zit niet veel ethiek in.