Dit document onderzoekt de relativiteit van ethiek aan de hand van een filosofische dialoog tussen Alex en Trebla. Centraal staat de vraag of ethiek universeel of relatief is, en hoe menselijke moraal zich verhoudt tot evolutie, cultuur en religie. Met behulp van wetenschappelijke inzichten, praktische voorbeelden en literatuurreflecties wordt betoogd dat morele waarden geen absolute waarheden zijn, maar voortkomen uit menselijke behoeften aan overleving en samenleven. De tekst roept op tot een neutrale houding, zelfreflectie en een open houding ten aanzien van uiteenlopende visies op goed en kwaad.
Ethiek is een menselijk construct dat voortdurend evolueert. Door afstand te nemen van persoonlijke en culturele vooroordelen, ontstaat ruimte voor een bredere, meer inclusieve visie op moraliteit en mens-zijn.
Soms hoor ik discussies over ethiek in termen van wat "deugt" en wat niet. Ik ben dan vaak verbaasd over de stelligheid waarmee men beweert te weten op welke gronden iets tot één van die twee categorieën behoort. Is ethiek relatief, afhankelijk van de cultuur waarin men leeft, of is het absoluut en universeel?
In de onderstaande verhandeling wil ik enkele beschouwingen delen over de "relatieve" en "universele" ethiek. We beperken ons hier tot een beschrijvende (descriptieve) ethiek en gaan niet in op het voorschrijven van de gedragsregels (prescriptieve ethiek).
Om het verhaal zo neutraal mogelijk te houden, is gekozen voor de dialectische vorm die teruggaat op de Griekse filosofen. Hoewel het uitgangspunt beschrijvend is, ontkomen we er niet altijd aan om normatieve implicaties aan te stippen.
Het document kan ook gevonden worden op:
prinikx.synology.me – Species_deliberations_nederlands.pdf
Eventuele opmerkingen zijn welkom via aprins@hotmail.com
— Albert Prins
Goedemorgen Alex.
Goedemorgen Trebla.
Hoe gaat het met je? Ik ben blij dat je me wilt vergezellen op mijn dagelijkse wandeling.
Het is een mooie dag, laten we genieten van het gele landschap met bloeiend koolzaad.
Tijdens mijn dagelijkse wandelingen luister ik vaak naar podcasts — over filosofie, wetenschap, evolutie en andere onderwerpen. Na het luisteren en het lezen van enkele boeken over die thema's, vind ik het boeiend om te reflecteren op wat er gezegd is en wat ik daarvan heb geleerd. Zou je het interessant vinden om, terwijl we wandelen, te reflecteren op deze onderwerpen?
Dat lijkt me heel interessant.
Eén van de dingen die me opviel was de discussie over goed en kwaad — vooral met betrekking tot de mens. Zullen we eerst bespreken hoe we goed en kwaad het beste kunnen benaderen, Alex?
Ja, dat lijkt me een interessante uitdaging.
Denk je niet dat één van de problemen bij dit onderwerp is, dat het lastig is om objectief te blijven, omdat we zelf tot de menselijke soort behoren en daardoor geneigd zijn vanuit de mens te denken? Met andere woorden: we noemen iets goed, wanneer we geloven dat het in ons voordeel is voor ons als menselijke soort.
Dat lijkt me waar te zijn, maar wat kunnen we eraan doen, aangezien we onze menselijke identiteit nu even niet kunnen ontvluchten?
Ik denk dat het mogelijk is, als we ons eerst mentaal op grote afstand van onze soort plaatsen. We zouden moeten uitzoomen om zo het hele universum als één totaal systeem te kunnen beschouwen. Maar laten we eerst, om het overzichtelijk te houden, ons beperken tot het subsysteem: planeet Aarde.
Ja, dat lijkt me een redelijk uitgangspunt.
Op Aarde vinden we dieren, mensen, vegetatie, diverse landschappen, enzovoort. Beschouw het alsof iemand een modeltreintraject heeft gebouwd met bomen, skiliften en spoorwegen, en nu bezig is te overwegen of alles goed werkt. En bij goed bedoelen we hier dat het systeem zodanig werkt dat het blijft voortbestaan en zich niet vernietigt. We moeten naar dit systeem kijken zoals een toeschouwer naar een model kijkt: met oog voor het geheel, zonder direct morele oordelen over de afzonderlijke onderdelen.
Het lijkt me een goed startpunt.
Dus ons belangrijkste doel is om de werking van dit subsysteem 'Aarde'
te doorgronden. We moeten niet de mens centraal stellen, maar juist het subsysteem Aarde — de mens is
daar maar een onderdeel van. Het maakt niet uit als één onderdeel minder goed functioneert, zolang
het geheel maar voldoende in evenwicht blijft om te functioneren.
Ons uitgangspunt is de bestaande werkelijkheid: de verschijnselen van de
wereld, in lijn met de fenomenologie van onder anderen Edmund Husserl (1859–1938). Zoals al benadrukt,
moeten we onze vooringenomenheid uitschakelen en het samenspel van alles op aarde zo neutraal mogelijk
aanschouwen. Dit uitschakelen van die vooringenomenheid is moeilijk omdat we zelf deel uitmaken van een
menselijke samenleving. We moeten er ons dus van bewust zijn dat onze gedachten "vertroebeld" worden
door de normen en cultuur van die samenleving. Dus eerst losmaken van ons eigen mensbeeld en de wereld neutraal van een afstand beschouwen, alsof
we geen deel uitmaken van het systeem, net zoals een toeschouwer die naar een mierensamenleving kijkt.
Dat is vergelijkbaar met hoe de stoïcijnse filosoof Epictetus (ca. 50–135 n.Chr.) zijn omgeving
benaderde: kalm en nuchter accepteren wat zich voordoet. Het enige wat we doen, is het systeem
bekijken zonder enig moreel oordeel te vellen. Ons doel is te begrijpen en te observeren — niet
te oordelen, noch in te grijpen.Dit alles om te begrijpen dat het systeem zich heeft ontwikkeld tot
dat wat het nu is. Inderdaad, we moeten zo objectief mogelijk zijn en het bekijken als
een extern systeem. Mijn ervaring, na het lezen van verschillende literatuur, is dat
veel schrijvers een vooringenomen kijk op de mensheid hebben. Sommigen delen de visie van Thomas
Hobbes (1588–1679), dat de mens van nature egocentrisch is en alleen sympathiek is tegenover andere
mensen omdat hij beseft dat hij niet zonder hen kan overleven (sociaal contract). Anderen hebben een
opvatting dat mensen allemaal sympathiek zijn jegens elkaar en van nature welwillend, vergelijkbaar
met de opvatting van Jean-Jacques Rousseau (1712–1778). We moeten echter goed beseffen dat de enige
manier om objectief tot een realistische kijk op de mensheid te komen, is door afstand te nemen en
het te beschouwen als een ander soort dier dat we onderzoeken. Dat zou inderdaad de benadering moeten zijn. Het zal echter een uitdaging
zijn om onze empathie voor hen uit te schakelen en hen alleen te zien als onderdelen van een systeem. Het systeem van de aarde, de natuur en levende wezens verandert voortdurend,
maar als geheel blijft het bestaan. Dus in het geval dat een systeem erin slaagt om door te gaan, zullen
er regelmechanismen zijn die het systeem op een zodanige manier beïnvloeden dat er evenwicht wordt
gehandhaafd of zal worden hersteld. Hoewel we graag afstand willen houden en het systeem als iets op afstand willen beschouwen, is het
waarschijnlijk gemakkelijker om ons eerst te richten op ons subsysteem van menselijke wezens, maar we
moeten ons er, wederom, mentaal van bewust zijn dat we onze cognitieve afstand moeten behouden.
Wanneer een samenleving gedijt en het aantal deelnemers toeneemt, kan een tekort aan voedsel, materialen
of andere benodigdheden het voortbestaan van dat systeem in gevaar brengen. Om het evenwicht te bewaren,
zijn mechanismen nodig. Dit kunnen mechanismen zijn die door mensen worden geïnitieerd en gecontroleerd,
of, als dat ontbreekt, door de natuur. In het eerste geval kunnen we denken aan wereldwijde afspraken om
het aantal mensen op aarde te beperken — bijvoorbeeld door middel van geboortebeperking. Als dit door de
mens ontworpen ‘mechanisme’ niet werkt, zal uiteindelijk de natuurlijke werkelijkheid het overnemen en
zal de resulterende overbevolking leiden tot hongersnood, oorlogen, ziekten of zelfs milieuschade —
zodanig dat het subsysteem ofwel uitsterft of wordt teruggedrongen naar een mogelijk nieuw evenwicht. Ik ben het ermee eens, dat dit evenwicht nogal delicaat is. Wanneer
er iets "rampzaligs" gebeurt op het niveau van een subsysteem, moeten we het objectief zien —
niet als rampzalig, maar als iets dat zal leiden tot een nieuw evenwicht voor het gehele systeem;
met of zonder mensen of ander subsysteem. Om een idee te krijgen van hoe de huidige mens is zoals hij vandaag is,
kunnen we via de volgende lijn van denken reizen. Dit denken is hier voornamelijk gebaseerd op de
evolutietheorie. Er kunnen verschillende manieren zijn geweest waarop de evolutie van de mens heeft
plaatsgevonden en ze kunnen verschillende, onbewuste, strategieën hebben gevolgd. Alleen die
strategieën, zoals het hebben van genen, die gericht zijn op voortzetting, zouden hebben geleid
tot het resultaat van vandaag, anders zouden ze zijn uitgestorven. Hier moeten we een onderscheid maken tussen de mens als individu en de mens als soort.
Het leven van het individu is maar tijdelijk, maar wat de menselijke soort betreft, blijft ze
nog steeds overleven. De soort heeft dus bewezen volhardender te zijn dan het individu. Dus om
net zo succesvol te zijn als de menselijke soort, moet er een inherente strategie zijn die streeft
naar voortzetting van de soort. Maar de soort zelf is geen tastbare zaak, het is een concept.
De soort bestaat alleen uit individuele mensen die in de loop van de tijd worden vervangen door
nieuwe personen. En uiteraard geldt dat ook voor ieder soort zowel dieren als planten. Maar daar
kunnen de mechanismen waarop dit gebeurt iets anders zijn, maar we focussen ons nu eerst op de soort mens.
Er zijn nu enkele opties te overwegen: Rationeel gezien is het aannemelijk dat er een systeem is dat elk
individu "programmeert" om te streven naar zijn eigen overleving en onbewust realiseert dat hij
de groep moet ondersteunen om de kans op zijn eigen individuele overleving te vergroten, met als
neveneffect dat hij helpt om de groep in stand te houden. Zoals we weten, heeft een persoon
slechts een beperkte levensduur en lijkt het erop dat de overlevingsstrategie van elke persoon
niet alleen gericht is op zijn eigen fysieke overleving, maar ook op zijn nalatenschap in de vorm
van zijn kinderen. Dit zijn allemaal geen bewuste acties, maar maken deel uit van het
motivatiesysteem van een persoon dat in de loop van de tijd is geëvolueerd via een selectie
van de soort. Het is dus geen teleologisch systeem (doelgericht), maar evolueert alleen door
willekeurige toevalligheden. Dus het lijkt er op dat de evolutie werkt in de richting van het
doorgeven van genen waardoor de soort in stand blijft. Inderdaad. En om dat optimaal te kunnen doen is de belangrijkste “taak”
van het individu om zelf te overleven om zo zijn genen te kunnen doorgeven. Hiervoor is een
partner nodig. Wanneer hij of zij een partner vindt, om hiermee de genen door te geven, beseft het
individu, misschien onbewust, dat hij niet alleen voor zichzelf moet zorgen, maar ook voor de partner
omdat er anders geen genen kunnen worden doorgegeven. Verder zal het individu ook, in misschien
mindere mate, zorgen voor zijn familieleden zoals zusters en broers zodat het doorgeven van de
gerelateerde genen, dus van zijn ouders, worden gecontinueerd. Ook personen die verder verwijderd
zijn, zijn nog steeds belangrijk voor het voortbestaan van het individu en daarom moet hij of zij
zich verplicht voelen om er zorg voor te dragen dat die personen goed kunnen functioneren. Dus de
verantwoordelijkheid die een individu zal voelen is in eerste instantie gericht op het voortleven
van zichzelf en zo in steeds mindere mate naar de personen die verder van het individu afstaan.
Dit alles om de kans om het doorgeven van de genen van dat individu zo groot mogelijk te laten zijn.
Dit alles gebeurt dus voor het individu onbewust, en is een aangeboren (innate) of door evolutie
ontwikkelde drijfveer van ieder individu. Dit is opnieuw een eigenschap van de gemiddelde mens,
maar verschilt voor elk individu, omdat dat de belangrijkste eigenschap is van de evolutionaire
benadering, elk individu is een beetje anders. Wanneer de omstandigheden veranderen, zullen de
personen die het meest “passend” zijn in deze nieuwe situatie het best gedijen en dus het nieuwe
gemiddelde worden. En dus zal de belangrijkste ontwikkeling plaatsvinden langs de lijnen van dit
nieuwe gemiddelde. Als we streven, bijvoorbeeld via DNA-manipulatie of voortplantingstechnieken, om elk persoon
perfect te maken passend bij de heersende gemiddelde eigenschappen, ontstaat er een soort incestueuze
soort die gedoemd is te verdwijnen; omdat het is geoptimaliseerd voor de huidige situatie, maar
kwetsbaar is wanneer de situatie begint te veranderen. Dus, als we de natuur vrij laten evolueren,
zullen allerlei soorten mensen met allerlei, verschillende eigenschappen regelmatig opstaan om
voorbereid te zijn op eventuele geschiktheid voor die verschillende omstandigheden. Dus variëteit
en diversiteit is van het grootste belang voor continuïteit. Maar denk je niet dat wanneer een kind wordt geboren, zijn belangrijkste
evolutionaire drijfveer is om in leven te blijven? Dit "zelfzuchtige" gedrag is aangeboren (nature),
maar al snel, door zijn ervaring met andere kinderen en volwassenen, leert het (nurture) om deel
uit te maken van een groep en ontwikkelt het een soort empathie. Het gedrag van het kind wordt
gestuurd door gevoelens van gelukkig of ongelukkig zijn — niet iets transcendents, maar een
chemische reactie in de hersenen waar dopamine wordt vrijgemaakt. Ja, Alex, dat is inderdaad ook hoe ik het zie. Als mens beschouwen we bepaalde gebeurtenissen of daden van andere mensen als goed of slecht.
We gebruiken onze eigen morele normen om deze gebeurtenissen te beoordelen. Hieronder zullen we deze handeling van beoordelingen onderzoeken. Een voorbeeld van een ecosysteem wordt getoond in de BBC-documentaire over de migratie van gnoes op de
Serengeti in Afrika ("The Great Migration"). Hier zien we een grote kudde die zich van de ene plek naar de
andere plek verplaatst om genoeg gras te vinden om te eten. Tijdens deze migratie is er voortdurend gevaar
van roofdieren zoals leeuwen, hyena's, enzovoort. Er wordt uitgelegd, dat wanneer er geen gevaar zou zijn, de gnoes het gras zo kort zouden eten, dat het
lang zou duren, voordat het gras weer voldoende zou zijn aangegroeid. Dit zou dan ook weer levensbedreigend
zijn voor andere grazers, wat betreft het foerageren. Wanneer het gras kort is, is het ook moeilijker voor de
gnoes om genoeg voedsel te vinden. Samen met de voortdurende dreiging van roofdieren vinden de gnoes het ten
slotte niet meer de moeite waard om op die specifieke plek te blijven en verhuizen ze naar een ander gebied.
Ze zijn dus voortdurend in beweging. Door gras te eten krijgen de gnoes allerlei voedingsstoffen binnen die ook nuttig zijn voor roofdieren
die geen gras kunnen eten vanwege de kenmerken van hun maagstructuur. Op deze manier krijgen de leeuwen,
krokodillen, hyena's, enzovoort, de benodigde voedingsstoffen, die in gras zitten, indirect via de grazers.
De kudde gnoes lijkt dus op een migrerende voorraadkast met voedsel. Hieruit krijgen we een idee hoe het
systeem werkt: de gnoes maaien het gras tot een acceptabele lengte en dan jagen de leeuwen ze weg om zo,
onbewust, het gras weer de gelegenheid te geven tot groeien. Intussen worden deze leeuwen voorzien van genoeg
vlees met de juiste voedingsstoffen. Hetzelfde geldt voor alle andere roofdieren in dit proces. Na verloop van tijd keert de groep gnoes weer terug en zo ontstaat er een ecologische cirkel. Dit lijkt
op een "prachtig" continu systeem omdat het een mooi evenwicht behoudt. Het feit dat gnoes vlees en dus
voedingsstoffen leveren aan de roofdieren en dat de roofdieren jagen en de grazers eten, is geen kwestie van
goed of slecht, het kan gewoon worden beschouwd als een effectief systeem. Waarbij we ons maar niet verdiepen
in de vraag of een moedergnoe ook zo onder de indruk is van dit “mooie” systeem wanneer haar baby gnoe
wordt verorberd? Dus vanuit het oogpunt van het ecosysteem is alles in orde, maar vanuit het oogpunt van de grazers zijn er
vast enkele twijfels. Dus mooi, goed en slecht zijn hier nogal relatieve termen. Als het systeem goed werkt, is er evenwicht over het gehele systeem, maar voor de subsystemen, zoals de
gnoes of de leeuw, veroorzaakt elk gnoe kalf, dat wordt verslonden, of een leeuwenjong dat sterft van de
honger, een verstoring in elk subsysteem. Ook deze subsystemen proberen het evenwicht opnieuw te vinden,
bijvoorbeeld na verlies van haar welp wordt de moederleeuw weer “ontvankelijk” en er volgt weer de gebruikelijke cyclus.
Als we dit systeem nu opschalen naar de wereld, inclusief de mensheid, kunnen we het volgende overwegen: Om de voortzetting van de wereld, zoals die is, te waarborgen, moet er evenwicht zijn. In deze laatste eeuw
lijkt het bestaande evenwicht van de wereld in gevaar te komen. De wereldbevolking van de mensheid wordt erg
groot en begint een grote invloed te hebben op dit evenwicht vanwege de behoefte aan voedsel, energie, allerlei
grondstoffen en de resulterende vervuiling. In eerdere eeuwen waren er oorlogen of pandemieën, die hebben
geholpen om de grootte van het aantal mensen onder controle te houden, wat resulteerde in het behoud van
het evenwicht. Het lijkt erop dat de evolutie niet had “voorzien” dat mensen eigenschappen ontwikkelden om
te onderhandelen en compromissen te sluiten wanneer er conflicten waren, en dat ze de vaardigheden ontwikkelden
om ziekten te genezen. Als echter de mensheid niet tot een vreedzame oplossing komt over hoe de grootte van
wereldbevolking in toom te houden, zal uiteindelijk de groei van de wereldbevolking resulteren in een "ramp"
zoals een oorlog, hongersnood of pandemie en zo opnieuw het nodige evenwicht bereiken? Vervolgens kijken we naar de invloed van religie op het vormen van ethiek en morele waarden. En in hoeverre, zoals
sommigen beweren, dat alleen religie leidt tot normen en waarden — dat we zonder religie geen goede samenleving zouden
kunnen vormen. Plato (427-347 BC) en Aristoteles (384-322 BC) leefden omstreeks de 3e eeuw voor christus en werden niet beïnvloed
door de nog niet bestaande christelijke religie. Toch heeft Aristoteles zijn werk Ethica geschreven. In dit werk vindt
men deugden en ondeugden beschreven die sterk overeen komen met de christelijke leer. Dit is niet zo vreemd omdat
Thomas van Aquino (1225-1274 AC), 1500 jaar later, het werk van Aristoteles heeft bestudeerd en het idee in de
christelijke leer heeft proberen te integreren. Misschien met dat verschil dat het concept God, drie-eenheid etc.
daarin is verwerkt. Aristoteles heeft Ethica voornamelijk gebaseerd op zijn visie op de mensheid los van religieuze
kaders. Plato verwijst in vele dingen wel naar een god of goden, maar de Griekse goden hadden volgens de Griekse religie zowel
goede als slechte eigenschappen. Wat goed of slecht was, werd dus blijkbaar door Plato zelf bepaald, hij had dus een
god nodig en hij vormde die goden vervolgens zodanig dat ze in zijn beeld pasten. Kortom, hij creëerde ze zelf. Hij
had ook kritiek op de dichters die de goden beschreven met hun goede en slechte eigenaardigheden. Plato vond dat de
dichters alleen maar de goede kant van de goden moest laten zien om zo een voorbeeld te zijn voor de jeugd. Wederom
hoe bepaalt Plato hier wat goed en slecht is? Ook Confucius (551 BC- 479 BC, China) hield zich bezig met moraliteit
zonder dat hij religieus was geïnspireerd. Zijn uitspraak “je moet niet de ander iets toewensen wat je niet jezelf
toewenst” vinden we in allerlei vormen terug in diverse religies of morele stromingen. We worden hierdoor alleen maar gesterkt in het idee dat de mens een intrinsiek gevoel voor goed of slecht heeft —
hoogstwaarschijnlijk een evolutionaire karakteristiek, waarbij goed bedoeld is als voordelig voor het voortbestaan van
onszelf en van de groep. Volgens Plato kunnen we inzicht verkrijgen in de wetten en regels van God met behulp van Apolloon, dat wil zeggen
het goddelijke licht. "Maar dat inzicht", zegt hij, "wordt niet met woorden verkregen, maar door een zuivere en
serene geest." Veel mensen denken dat een god de wereld en de mensheid heeft geschapen. Ze beschouwen het
idee van evolutie als in strijd met het idee van schepping. Wat is jouw idee hierover, Trebla? Zelfs als er een God is die de schepping heeft gedaan, lijkt het mij zeer waarschijnlijk
dat hij het mechanisme van evolutie ook als onderdeel van de schepping zou hebben geïntegreerd, omdat dit het proces
van het creëren van verschillende soorten levende wezens zou vereenvoudigen. Maar zoals Plato hierboven al zei, als
we geen idee hebben wie God is, wat zijn invloed is op de levende "wezens" en wat hij van deze wezens verwacht, lijkt
het mij beter om dit met rust te laten. Benedictus de Spinoza (1632–1677 n.Chr.) beschouwde God als equivalent aan de natuur, een God zonder speciale
toewijding aan de mensheid. Misschien zou het beter zijn geweest als Spinoza deze vergelijking niet had gemaakt,
omdat de naam God te beladen is met de historische betekenis van een God die een directe relatie heeft met levende
wezens; dit leidt zo al snel tot verwarring. Maar hoe komt het dat zoveel mensen een religie hebben en dat bijna elke groep een soort
god vereert en zijn regels volgt? Dat is ook voor mij een mysterie, maar het enige logische wat ik kan bedenken, is dat het
voor de meeste mensen erg moeilijk is om fenomenen te accepteren die ze niet begrijpen. Dus verzinnen ze iets, zoals
dat het het werk is van een god of goden. Neem het verschijnsel donder en bliksem: indrukwekkend, onvoorspelbaar en soms dodelijk. De Vikingen schreven dit
toe aan Thor, de god van de donder, de Germanen aan Donar, de Grieken aan Zeus en de Romeinen aan Jupiter. Al deze
volkeren leefden ver van elkaar, maar kwamen onafhankelijk tot dezelfde oplossing: een machtige godheid moet hierachter
zitten. Vandaag de dag weten we dat donder en bliksem het gevolg zijn van elektrische ontladingen tussen wolken en de
aarde, een fenomeen dat volledig verklaarbaar is zonder enige goddelijke tussenkomst. Hetzelfde geldt voor het noorderlicht. Dit overweldigende natuurspektakel, waarbij de hemel oplicht in golven van
groen, rood en paars, werd door de Noormannen gezien als de weerspiegeling van de schilden van de Walkuren, de
goddelijke krijgsters die gesneuvelde helden naar Walhalla brachten. De wetenschappelijke verklaring — geladen
deeltjes van de zon die in wisselwerking treden met de atmosfeer van de aarde — is minstens even fascinerend, maar
vereist geen god. Dit patroon zien we keer op keer terug: aardbevingen werden door de Grieken toegeschreven aan Poseidon, ziektes
aan de woede van goden, de stand van de sterren aan goddelijke wil. Telkens wanneer de wetenschap een verklaring
vond, trok de god zich terug. De goden vulden dus de lege plekken in de menselijke kennis op, wat de filosoof
Dietrich Bonhoeffer later treffend omschreef als de "God der gaten". En voor leiders is het gemakkelijker om mensen te vertellen dat ze zich moeten gedragen volgens de regels van
de god, dan om te proberen de mensen met logica te overtuigen dat ze de regels van de leider moeten gehoorzamen.
Hier wordt God dus, uit praktische redenen, gebruikt als boeman — Thomas Hobbes (1588–1679) gebruikte hiervoor de
term Leviathan. Dus in feite zijn religie en God menselijke constructies. Ik begrijp je standpunt. Inderdaad, als je God niet op een passende manier kunt
definiëren — hoe hij eruitziet, wat hij van ons verwacht, wat zijn bedoeling is met ons — wanneer iets zo vaag is
gedefinieerd, zullen we gewoon ons leven voortzetten en ons gedrag niet aanpassen aan welk religieus dogma dan ook;
vooral als er geen empirisch bewijs is van het bestaan van een hoger wezen. Wat ethiek en moraliteit betreft, beschouw ik deze ook als menselijke constructies.
Er bestaan geen universele goedheid of slechtheid. Het hangt gewoon af van de groep zelf. Dat de groep probeert
te overleven en regels maakt om dit doel te bereiken is begrijpelijk, maar dit kan worden bereikt met verschillende
regels. En deze regels veranderen ook in de loop van de tijd. Vroeger was slavernij “normaal”, maar nu zien we
heel veel historische zaken in een ander daglicht. Christenen hebben hun regels, evenals moslims, hindoes,
boeddhisten, atheïsten of zelfs volgers van ISIS. Maar medemensen niet doden lijkt een universele regel te
zijn voor menselijke wezens. Ofschoon ook hierop uitzonderingen te vinden zijn zoals euthanasie voor mensen
met uitzichtloos lijden, of in sommige landen de doodstraf voor ernstige overtredingen tegen de menselijkheid. Echter, wanneer we het doden van de medemens, zoals hierboven beschreven, bekijken vanuit een aards, of zelfs
holistisch, perspectief, zou de overbevolking, met al zijn negatieve gevolgen, kunnen worden voorkomen en in
die zin is het goed gedrag. We moeten dus voorzichtig zijn met het beschouwen van onze ethische regels en
normen als iets gegeven door God of universeel geldig, maar eerder als een sociaal contract dat alleen geldig
is tussen mensen. We kunen aan de linker- of rechterkant van de weg rijden, daar is niets goed of slecht aan,
het is gewoon een onderlinge overeenkomst tussen mensen om het samenleven gemakkelijker te maken. Als we naar het gedrag van menselijke wezens kijken, lijkt het erop dat de
volutie de mens alleen bedraad heeft om te streven naar zijn eigen overleving en bijgevolg, als alle
mensen dat doen, naar de overleving van de groep. Hoe ligt de balans tussen het streven naar eigen overleving en het ondersteunen
van de groep? Een persoon richt zich op zichzelf en op de groep waartoe hij behoort.
Wat is zijn relatie met de groep? Waardeert hij de groep als concept of als separate individuen in de groep?
Op de basisschool maakt een persoon deel uit van een groep en probeert hij geaccepteerd te worden door de
groep, dat wil zeggen door de meeste individuen in de groep. Vervolgens gaat hij naar de middelbare school
waar hij deel uitmaakt van een nieuwe groep en opnieuw zal hij zijn best doen om geaccepteerd te worden
door de leden van die nieuwe groep. Is de band met de eerste groep die van de basisschool, nog steeds zo
sterk dat die blijvend is? Dat zou kunnen maar in het algemeen zal hij zijn uiterste best doen om een
geaccepteerd lid van de nieuwe groep te zijn. Hetzelfde zal gebeuren op de universiteit of op het werk.
Het zou zelfs kunnen zijn dat hij naar een ander land emigreert en opnieuw zal er een groep zijn waarin
hij probeert te integreren.
Daarom kunnen we nauwelijks ontkennen dat de focus ligt op zichzelf en op het deel uitmaken van en
geaccepteerd worden door een groep; dus min of meer onafhankelijk van de specifieke individuen in de groep.
De persoon probeert zijn overlevingskansen te optimaliseren en “begrijpt” daarom dat hij, zoals hij
bedraad is, lid moet zijn van een groep. Hij is evolutionair niet zo ontwikkeld dat hij, zoals een
tijger, alleen kan overleven; hij heeft een groep nodig om hem daarbij te helpen. En dat geldt uiteraard
wederzijds voor alle leden van die groep.
Bij dit alles moeten we beseffen dat dit geldt voor de gemiddelde persoon; evolutionair gezien zal er een
spreiding zijn van verschillende gedragingen, aangezien de ene persoon meer moeite heeft om van groep te
veranderen dan anderen of neiging heeft tot een wat meer solitaire manier van leven. Wat is zijn relatie met dieren, natuur en de Aarde? Laten we aannemen dat er meer “aardse” planeten zijn in het heelal,
met alle benodigdheden voor mensen om een comfortabele omgeving te bieden. Houden we zoveel van
onze Aarde en dieren dat we nooit naar een andere aarde zullen migreren, zelfs als de omstandigheden
hier sterk verslechteren? Als we naar de andere planeet migreren, nemen we, zoals Noach, dan alle
dieren met ons mee? In vele gevallen is dit praktisch niet mogelijk en beperkt men zich tot zichzelf
en de dichtstbijzijnde dierbaren. Ik verwacht dat we, zodra de omstandigheden verslechteren -
of zelfs daarvoor al - zullen migreren, misschien samen met onze dierbaren, naar de andere planeet
en beginnen alsof we naar een ander land emigreren, en dat, zoals we eerder hebben genoemd, ondanks
de Aarde en haar dieren. Dus opnieuw ligt de focus op het overleven van de persoon zelf en secundair
op zijn verlangen naar een specifieke groep. Denk je niet dat mensen dieren meenemen om heel verschillende, maar
evolutionair verklaarbare redenen? Sommigen zullen huisdieren meenemen; anderen vee — bijvoorbeeld
uit voorzorg, als voedselreserve. Neem hechting: de neiging tot hechten aan anderen geeft mensen
het voordeel van samenwerken en samenleven in groepen. Hechting aan dieren had evolutionair ook nut:
honden hielpen bij de jacht, tamme dieren maakten migratie overbodig, en lastdieren zoals paarden
vergemakkelijkten landbouw en transport. Je hebt misschien gelijk, maar uiteindelijk, wanneer het voortbestaan
van een persoon op het spel staat zal in het algemeen die persoon de beslissingen nemen voor zijn
eigen overleving. Alleen diegenen die de beslissing vooral nemen in hun eigen belang, zullen overleven
en hun genen aan de volgende generatie doorgeven. Dit zal waarschijnlijk een verschuiving in het
gemiddelde overlevingsinstinct teweegbrengen waarbij het eigenbelang sterker zal worden geaccentueerd. In het vorige hoofdstuk hebben we min of meer gesteld dat de mens een bestaand, aanraakbaar, ding is,
maar dat het begrip groep een concept is en als zodanig niet aanraakbaar. Maar ook hier kunnen we enkele
kanttekeningen bij plaatsen.
Zoals we later bij de “Sterfelijkheid van de Mens.” zullen beweren is evolutionair gezien het doorgeven en
in stand houden van de genen blijkbaar belangrijker dan het in stand houden van de mens als individu.
De mens is sterfelijk en is nuttig als vehikel om de genen van generatie op generatie door te geven.
Maar als we de mens op microscopisch niveau bekijken dan zien we dat de mens bestaat uit een samenstel van organen.
Allemaal bedoeld om het vehikel mens de mogelijkheid te geven om zichzelf zo lang mogelijk in stand te houden om
zo genoeg genen door te kunnen geven. Zo hebben we benen om te vluchten wanneer er gevaar heerst, zo hebben we
ogen en handen om voedsel te kunnen bemachtigen en beoordelen of het eetbaar is. Zo hebben we intern verschillende
organen en systemen die samenwerken om het lichaam te laten functioneren. Deze organen en systemen vormen
een geïntegreerd geheel dat nodig is voor het overleven en functioneren van het individu.
Maar kunnen we één individu ook zien als een stelsel van organen, systemen en ledematen die met elkaar één
groep vormen. Dus zoals we in het vorige hoofdstuk beweerden dat een groep een concept, een idee, is maar
eigenlijk zijn het alleen maar separate individuen, entiteiten. Maar ter volledigheid kunnen we ons dus ook
de vraag stellen in hoeverre de mens ook zelf weer een groep is. Vormt op microschaal dat individu zelf ook
weer een groep, bestaande uit individuele elementen zoals organen enzovoort?
Wanneer we naar een grote vlucht spreeuwen kijken die in de lucht zwermen, dan moeten ze, bijvoorbeeld bij
dreigend gevaar van roofvogels, regelmatig uitwijken. Daar hebben ze een botsvrije oplossing voor: ze houden
maximaal zeven buurvogels in de gaten en zorgen dat ze daar niet tegenaan vliegen. Als een paar spreeuwen
van koers veranderen, dan verspreidt die beweging zich door de hele wolk omdat ze zich allemaal razendsnel
aanpassen aan de zeven buren. Op afstand ziet een dergelijke groep eruit als één individuele flexibele cel.
Het lijkt alsof er tussen de spreeuwen een kracht is die alle elementen bij elkaar houdt. Dit lijkt een
geprogrammeerde opdracht te zijn in iedere vogel om dicht bij elkaar te blijven, maar met toch voldoende
ruimte om te kunnen blijven vliegen. Door de zwenkingen van de zwerm zal een spreeuw zich soms aan de
buitenkant en zich dan weer binnen de zwerm bevinden. Het is niet duidelijk of dit in de genen zit en zo
evolutionair is ontwikkeld of dat het kopie gedrag is en “afgekeken” van bijvoorbeeld de moeder.
Bij de mens zelf worden alle interne elementen, op microniveau, bij elkaar gehouden door atomaire
krachten en dus elektrische krachten tussen atomen. Dus hier geen virtuele maar fysieke krachten.
Ook andere virtuele krachten kunnen beschouwd worden zoals, bijvoorbeeld bij twee personen die tennis
spelen. Hier wordt het gedrag van de personen bepaald door de bal die van de ene naar de andere kant
gaat en zo de personen door het veld trekt. Zo lijkt het alsof de personen door een elastische lijn aan
elkaar verbonden zijn.
Ook bijvoorbeeld bij twee gescheiden ouders met kind. Hierbij blijft de ene ouder verbonden met de
andere ouder door het bestaan van het kind. Ook hier weer door een wederzijdse virtuele kracht.
Ook in groepen van mensen zijn er virtuele, psychische, krachten, die op die personen attractief werken
om de groep bijeen te houden en goed te laten functioneren.
Al deze krachten zijn virtueel en hier mentaal geprogrammeerd, via aangeboren - of aangeleerd gedrag,
of zoals de Engelsen zeggen: “nature or nurture”. Het onderscheid met de individuele persoon is dat binnen
die persoon een fysieke kracht bestaat tussen de elementen onderling. Dus misschien moeten we één mens
inderdaad niet zien als een groep van organen, maar als individu, een entiteit, fysiek samengehouden door
elektrische atomaire krachten. Terwijl voor groepen, twee individuen of meer, geldt dat daar een meer
virtuele kracht geldt. Deze virtuele kracht is dan een aangeboren of aangeleerde drang in de mens.
We kunnen een groep ook definiëren als een verzameling van dingen waarbij die dingen op zich ook zelfstandig
kunnen functioneren. Of wel als we de groep spreeuwen opsplitsen in separate spreeuwen dan kunnen die
spreeuwen nog steeds voortbestaan. Hetzelfde geldt voor de mens, dat de mens ook zelfstandig kan
functioneren, misschien met een verlaagde overlevingskans, maar wanneer we de mens opsplitsen in zijn
separate organen dan is het gedaan met zijn voortbestaan.
Het is daarom misschien wat vergezocht om de mens, als individu, op zichzelf als groep te zien. Zoals hierboven beschreven bestaat de mens uit allerlei organen, systemen en ledematen. Wat als één orgaan
wordt verwijderd, blijft die persoon dezelfde of wordt hij een beetje ander persoon? Hoe bepalen we wat een
persoon is en wat bepaalt het mens-zijn? Wordt hij bepaald door zijn gedrag of door zijn uiterlijk?
Als een persoon een nieuwe kunstheup krijgt, verandert hij dan als persoon? Als hij bekend staat als een
Olympisch atleet dan verandert dat inderdaad zijn prestaties als atleet, maar beschouwen we hem dan ook
als mens te zijn veranderd? Dat geldt ook wanneer het hart vervangen wordt enzovoort. Hoeveel lichaamsdelen
en organen kan men vervangen tot iemand die iemand niet meer is? Als er door operatie of anderszins iets aan
de hersenen wordt veranderd dan lijkt dit in algemeen al snel een grotere verandering van de persoon te zijn.
Het blijft dus afhankelijk van wat men als kenmerkende factor van die persoon beschouwt.
Als groot verschil tussen dieren en mensen wordt over het algemeen de manier gezien, waarop de mens zijn
hersenen gebruikt. Door het gebruik van hersenen kan hij over toekomst en verleden denken, hij kan rekenen
en schrijven, hij kan naar zijn medemens communiceren in begrijpbare geluiden. In de meeste van deze
kundigheden is hij vaardiger dan andere dieren. Al deze vaardigheden worden in eerste instantie aangestuurd
door de hersenen en verder uitgevoerd met behulp van diverse organen: armen, handen, stem, ogen enzovoort.
Het grote onderscheid tussen dieren en mensen lijkt dan toch de hersenen te zijn. Als voorbeeld kunnen we
kijken naar Stephen Hawking, de Britse natuurkundige, die de ziekte amyotrofe laterale sclerose (ALS) kreeg
en waardoor bijna zijn hele lichaam werd verlamd, behalve zijn denkvermogen. In dit geval werd Hawking toch
beschouwd als dezelfde persoon van voor de ziekte, behalve uiteraard de fysieke kenmerken. Komt dit omdat de
kenmerkende factor voor Hawking zijn denkvermogen was? Zou bij Usain Bolt, de Jamaicaanse hardloper, dat
anders geweest zijn wanneer zijn denkvermogen tot een laag niveau zou zijn gedaald maar zijn sprintprestaties
niet? Alles bij elkaar genomen lijkt een persoon toch als mens voornamelijk te zijn bepaald door zijn
hersenen. Of zoals de titel van het boek van Swaab luidt: “wij zijn ons brein”.
Wanneer we dat zo beschouwen schiet mij een anekdote te binnen verteld door een filosoof, die als volgt
gaat: Een oude man op hoge leeftijd die lichamelijk zo verzwakt is dat hij niet lang meer te leven heeft,
maar wiens denkvermogen nog uitstekend is, heeft een gesprek met een atletische jonge man. Hij zegt tegen
de jonge man: “Ik heb niet lang meer te leven, maar jij bent nog jong, knap, atletisch en heb nog een heel
leven voor je. Je bent bijna perfect, maar het enige minpuntje is dat je denkvermogen, en daar ben je
volledig buiten je schuld mee geboren, niet erg geweldig is. Aangezien ik aan het eind van mijn leven ben,
heb ik toch niet veel meer aan mijn hersenen en daarom
bied ik aan om mijn hersenen te laten transplanteren naar jouw hoofd en die van jou naar mijn hoofd. Dan
gaat jouw levenskwaliteit danig omhoog en voor mij maakt het niet meer uit. ” Wat de jonge man hierop heeft
geantwoord is niet bekend, maar het is een aardige gedachte-exercitie (Einstein: “Gedankenexperiment”) om te
bepalen wie is de persoon na de transplantatie?
Hier stellen we de vraag waarom is de mens sterfelijk en hoe werkt dat?
Een belangrijk aspect bij de veroudering van mensen is de veroudering en teloorgang van cellen. Gedurende
het leven van de mens worden de cellen, zowel die in het lichaam als aan de oppervlakte daarvan, beschadigd
door allerlei oorzaken. Het lichaam maakt dan zelf weer nieuwe cellen aan, die dezelfde functie moeten
uitoefenen als die de beschadigde cellen hadden. De functionaliteit van de nieuwe cel wordt als het ware
gekopieerd van de beschadigde cel. Bij ieder kopie van een cel bestaat er kans op fouten van die functionaliteit
en na vele kopieën is de cel niet goed functioneel meer. Dit geldt dus voor het hele lichaam en daarmee
raakt het lichaam “versleten” en sterft.
Meer informatie over het verouderingsproces is gegeven in (Appendix 4.2
Verouderingsproces bij Mensen).
Toch zou het lichaam potentieel de mogelijkheid hebben om onsterfelijk te zijn of in ieder geval veel langer
in stand te blijven. Namelijk als we de situatie beschouwen van een vrouw die geboorte geeft aan een baby,
dan zien we dat deze baby in potentie weer een lang leven kan leiden, ondanks dat de moeder misschien al
meer dan veertig jaar oud is en waarvan de lichaamscellen dus al langere tijd onderhevig zijn aan veroudering.
Waarschijnlijk gebeurt dit door middel van de stamcellen van de vrouw die nog “onbeschadigd” zijn en zich
weer vermenigvuldigen tot een nieuw wezentje. Maar in principe zou het lichaam dit systeem ook kunnen
aanwenden om de eigen cellen te vernieuwen zonder dus een accumulatie van fouten en zo een zeer lang leven hebben.
Waarom heeft de evolutie van de mens niet gebruik gemaakt van een dergelijk systeem? Blijkbaar is het
evolutionair gunstiger, voor het voortbestaan van de soort, om de genen door te geven aan de volgende
generatie en de doorgever te laten verdwijnen, i.e. sterfelijk te laten zijn. Misschien wordt de mens
op latere leeftijd mentaal te inflexibel en zit hij te vast in zijn denkkader, waardoor het eenvoudiger
is om over te gaan op een nieuw, fris denkend individu. Het doorgeven van de genen is dus blijkbaar de
echte drijfveer en de menselijke generaties zijn het vehikel waarmee dit gebeurt.
Een ander voorbeeld van genetisch reproduceren kan gevonden worden bij o.a. de platworm, zeesterren,
bloemdieren en veel ringwormen (Appendix 4.3 Verouderingsproces bij Platwormen),
deze kunnen, wanneer
er belangrijke organen van hun lichaam verdwenen zijn, deze organen weer regenereren zo dat het lijkt alsof
dat zij eeuwig kunnen voortbestaan. In dit proces kunnen er ook genetische veranderingen plaats vinden,
beïnvloed door eventuele veranderingen van het milieu.
Door dit regeneratieve systeem grondig te bestuderen zou de mens er misschien zijn voordeel mee kunnen
doen om zo de levensduur van de mens te verlengen.
We laten hier maar even buiten beschouwing dat dit allerlei neven effecten geeft zoals overbevolking van
de aarde en de vraag hoe hiermee om te gaan. Er is nauwelijks een ideaal dat de mensheid zo diep bezighoudt als gelijkheid. Van de Franse Revolutie
tot moderne sociale bewegingen — overal klinkt de roep om eerlijkheid, rechtvaardigheid en gelijke kansen.
Mensen ervaren ongelijkheid als een onrecht, als iets wat gecorrigeerd moet worden. En toch rijst de vraag:
wat als juist die ongelijkheid de motor is die alles in beweging brengt? Wat als de droom van volledige
gelijkheid, als hij ooit werkelijkheid werd, het einde zou betekenen van alles wat we nastreven?
Deze overpeinzing gaat niet over de rechtvaardiging van onrecht of uitbuiting. Zij gaat over iets subtielers
en paradoxalers: de gedachte dat ongelijkheid niet slechts een probleem is om op te lossen, maar de oerbron
van alle menselijke energie, motivatie en leven zelf. De Bijbel noemt jaloezie een zonde. “Gij zult niet begeren” — het tiende gebod verbiedt ons te verlangen
naar wat de ander heeft. Jaloezie wordt gezien als een lelijk, destructief gevoel dat neerwaarts trekt en
verbindingen sloopt. Maar Friedrich Nietzsche keek anders tegen dit menselijke fenomeen aan.
Nietzsche zag in wat hij de “Ressentiment” noemde — de gevoelens van wrok en nijd die zwakkeren koesteren
jegens de sterken — niet louter een moreel tekort, maar een kracht. Want wie jaloers is, erkent iets in de
ander wat hij zelf nastreeft. De jaloezie wijst als een kompasnaald naar een mogelijke bestemming. Zij
zegt: “daar wil ik zijn, dat wil ik bereiken.”
Bezien vanuit dit perspectief is jaloezie geen zonde, maar een signaal. Het is de innerlijke stem die
fluistert dat er een verschil bestaat — een ongelijkheid — en dat dit verschil overbrugd kan worden.
De man die zijn succesvolle buurman bewondert en begeert wat hij heeft, kan twee kanten op: hij kan
verbitterd wegzakken in rancune, of hij kan de jaloezie omzetten in ambitie en actie. De jaloezie zelf
is neutraal; het is de mens die kiest wat hij ermee doet.
En zo wordt ongelijkheid de brandstof voor het streven naar gelijkheid. Zonder het besef “deze persoon
heeft iets wat ik niet heb” zou de motivatie om te groeien, te leren, te werken ontbreken. Het zijn de
verschillen tussen mensen die hen in beweging zetten. De natuur kent geen genade voor abstracte idealen — zij werkt volgens onverbiddelijke wetten.
En een van die wetten luidt: energie stroomt altijd van een toestand van ongelijkheid naar
gelijkheid. Nergens is dit eenvoudiger te zien dan in het beeld van twee verbonden regentonnen.
Stel je voor: twee regentonnen staan naast elkaar, verbonden door een slang. De ene ton is vol, tot
de rand gevuld met regenwater. De andere is leeg. Op het moment dat de verbinding tot stand komt,
begint het water te stromen — van vol naar leeg, van hoog naar laag, van meer naar minder. Er is
beweging, er is energie, er is activiteit. En al dat leven dankt zijn bestaan aan één ding: de
ongelijkheid tussen de twee tonnen.
Nu stel je voor dat beide tonnen precies even vol zijn. Er stroomt niets. Er gebeurt niets. De
stilstand is compleet. Gelijkheid — volmaakte, absolute gelijkheid — betekent het einde van iedere
stroming, iedere uitwisseling, iedere activiteit. Thermodynamici noemen dit de toestand van maximale
entropie: alles is verdeeld, alles is gelijk, en juist daarom is er geen energie meer om iets te doen.
Hetzelfde principe zien we overal in de natuur. Wind ontstaat doordat luchtdruk op de ene plek hoger is
dan op de andere — ongelijkheid drijft de storm. Rivieren stromen omdat het ene punt hoger ligt dan het
andere — ongelijkheid voert het water naar zee. Elektrische stroom vloeit omdat er een spanningsverschil
bestaat tussen twee punten — ongelijkheid verlicht onze huizen. Zelfs het leven zelf, in zijn meest
basale biologische vorm, is afhankelijk van chemische gradienten en energieverschillen.
De natuur streeft voortdurend naar evenwicht, naar gelijkheid — maar zij heeft de initiële ongelijkheid
nodig om die reis te maken. Het streven is zinvol; de aankomst is de dood. Hier ontvouwt zich een diepe paradox in het menselijk bestaan. De mens streeft naar gelijkheid —
naar rechtvaardigheid, naar eerlijke verdeling, naar een wereld zonder onrecht. Dit streven is edel
en menselijk en het verdient alle respect. Maar de paradox is dat volledige gelijkheid — mocht zij
ooit bereikt worden — het einde zou betekenen van het streven zelf.
Wat zou een mens nog doen in een wereld van perfecte gelijkheid? Waarom zou hij zijn bed uitkomen, een
boek schrijven, een bedrijf starten, een relatie aangaan? Iedere motivatie wortelt in een verschil:
het verschil tussen waar je bent en waar je wilt zijn, tussen wat je hebt en wat je nastreeft, tussen
de wereld zoals zij is en de wereld zoals zij zou kunnen zijn. Gelijkheid doodt het verschil, en
daarmee doodt zij de motivatie.
Dit betekent niet dat we moeten stoppen met streven naar een rechtvaardiger wereld. Integendeel.
Het betekent dat we het streven zelf moeten koesteren, niet slechts de eindbestemming. De weg naar
gelijkheid is waar het leven zich afspeelt. Iedere stap richting meer rechtvaardigheid, iedere
overwinning op onrecht — dat is het leven dat de moeite waard is om te leven.4. Wees neutraal
5. Hoe werd de Mens zoals hij nu is?
5.1 De Term Goed of Slecht
5.1.1 De Migratie van de Gnoes
Zoals Nietzsche (1844–1900) zei: er bestaat geen universeel goed of slecht. Morele waarden zoals
goed of slecht zijn menselijke constructies.— Friedrich Nietzsche
5.2 Ontstaan Ethiek en Religie
"Want niemand zal ooit kunnen begrijpen hoe God vereerd en gediend moet worden, als hij niet eerst gaat
weten wie en wat God zelf is. Evenmin kunnen wij de Goddelijke Zon zien, als de zon zich niet eerst zelf laat
zien."— Plato
6. Focus op Groep of Individu
7. Is de Mens zelf ook een 'Groep'?
8. Wat is de Mens?
Gedankenexperiment
9. Sterfelijkheid van de Mens
10. De Paradox van Gelijkheid
10.1 De droom van gelijkheid
10.2 Nietzsche en de kracht van jaloezie
10.3 De les van de natuur: energie vloeit van ongelijk naar gelijk
10.4 De grote paradox: streven naar wat ons zou vernietigen
10.5 Besluit: ongelijkheid als levensvoorwaarde
De wereld leeft bij de gratie van ongelijkheid. Niet omdat ongelijkheid altijd rechtvaardig
is, maar omdat het verschil, de spanning, de afstand tussen wat is en wat kan zijn, de bron is van alle
menselijke energie en alle leven op aarde.— Albert Prins
Jaloezie, mits omgezet in ambitie, is de kompasnaald die ons wijst op het verschil en ons aanzet het te
overbruggen. De volle en de lege regenton vertellen ons dat beweging alleen mogelijk is waar ongelijkheid
bestaat. En de thermodynamische wet van entropie fluistert ons het ultieme geheim: wanneer alles gelijk
is, is alles over.
Misschien is de wijsheid niet gelegen in het bereiken van gelijkheid, maar in het bewust en moedig blijven streven ernaar. In het ondertussen genieten van de energie die dat streven opwekt. In het erkennen dat het leven zelf — ademend, bewegend, groeiend — bestaat omdat er nog ongelijkheid is om op te reageren.
En zo is de meest levende mens niet degene die gelijkheid heeft gevonden, maar degene die vol passie en met open ogen op weg is ernaar toe.
De toestand van onze planeet stemt tot bezorgdheid. Er is sprake van een structurele klimaatverandering, waarbij de invloed van menselijke activiteiten een aanzienlijke rol speelt. De vraag is niet langer óf we moeten ingrijpen, maar hoe we dat het beste kunnen doen.
Het aanpakken van klimaatproblemen op individueel niveau blijkt in de praktijk onvoldoende. De schaal en complexiteit van de ecologische crisis kan alleen effectief worden aangepakt op overheidsniveau — en bij voorkeur zelfs op mondiale schaal.
Als we eerst inzoomen op onze eigen nationale situatie. In Nederland komt beleid tot stand via een democratisch proces. Politieke partijen krijgen zelden een absolute meerderheid, waardoor regeringen bestaan uit coalities. Nieuwe wetgeving vereist goedkeuring door zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Dat betekent dat politieke verandering pas mogelijk is als de kiezer overtuigd is en voldoende steun verleent aan partijen die deze koers willen varen.
De kiezer en uiteindelijk ook de regering moeten overtuigd worden van de noodzaak om structureel te handelen. Hier kunnen we leren van een klassieke bron: de Retorica van Aristoteles. Hij stelde dat een overtuigende boodschap rust op drie pijlers:
Het is dus niet genoeg om alleen maar rationele feiten te presenteren over CO₂-uitstoot of zeespiegelstijging. De spreker moet ook deskundigheid en betrouwbaarheid uitstralen (ethos), en duidelijk maken wat er voor de toehoorder op het spel staat (pathos). Pas dan maakt de boodschap werkelijk impact.
Daarbij speelt een ethisch dilemma: landen die zich historisch arm hebben ontwikkeld, willen terecht toegang tot hetzelfde comfort en dezelfde luxe die rijke landen al generaties lang kennen. Hen overtuigen van ecologische matiging vraagt om een eerlijk verhaal, waarin niet alleen beperkingen centraal staan, maar ook kansen: bijvoorbeeld het behoud van leefbaarheid, gezondheid en welzijn voor toekomstige generaties.
Bevolkingsgroei beperken is bovendien realistisch uitvoerbaar binnen één of twee generaties, aangezien de menselijke levensduur relatief kort is. Door vrijwillige geboortebeperking te stimuleren via onderwijs, gezondheidszorg en economische prikkels, kan de wereldbevolking op humane wijze stabiliseren of zelfs dalen. Problemen zoals een tekort aan arbeidskrachten of zorg voor ouderen kunnen worden opgevangen via technologische innovatie en herverdeling van arbeid.
De uitdaging waar we voor staan is groot, maar niet onmogelijk. Als we willen dat mensen en overheden werkelijk in beweging komen, moeten we een overtuigend verhaal brengen — geworteld in rede (logos), gedragen door vertrouwen (ethos) en verbonden met de diepste menselijke drijfveren (pathos).
Onze toekomst hangt af van ons vermogen om dat narratief gezamenlijk te omarmen — en ernaar te handelen.
Notitie: 03-02-2017
Bij het lezen van Ortega y Gassets The Revolt of the Masses werd ik getroffen door de stelling in het voorwoord: een staat zou idealiter moeten worden geleid door een intellectuele elite. Die gedachte spreekt me in eerste instantie aan — misschien zelfs wat naïef — omdat ik lange tijd heb gehoopt dat de wereld vanzelf zou worden bestuurd door verstandige, idealistische mensen. Instellingen als de Verenigde Naties lijken een poging tot zo’n wereldorde, maar in werkelijkheid blijken ze vaak te opereren als compromisorganen tussen nationale belangen en machtsblokken, eerder dan als idealistisch kompas.
Ook in onze nationale politiek zien we dit spanningsveld. Politieke partijen verkondigen hun idealen, maar doen dat vaak met een populistische strategie: ze buigen hun boodschap zo dat die maximaal aanslaat bij een breed electoraat, in plaats van trouw te blijven aan hun diepste overtuiging.
De kernvraag is: heeft 'de massa' wel het inzicht en de lange-termijnvisie om een samenleving duurzaam te besturen? Of zou het beter zijn dat leiding wordt gegeven door mensen met kennis, ervaring, en integriteit — kortom, een elite? Maar die oplossing roept meteen nieuwe vragen op: wie bepaalt wie tot zo’n elite behoort? Welke criteria gebruiken we? En hoe voorkomen we dat deze elite na verloop van tijd zelfgenoegzaam, afstandelijk of zelfs corrupt wordt?
Deze vragen zijn al duizenden jaren oud. In De Staat laat Plato (Athene, ca. 427 v.Chr. – aldaar, 347 v.Chr.) zijn personages discussiëren over verschillende staatsvormen. Zijn voorkeur gaat uit naar de filosoof-koning: een leider die opgeleid is in rechtvaardigheid en wijsheid, en daarom bij uitstek geschikt om te regeren. Karl Popper (1902-1994) bekritiseerde Plato fel om deze opvatting. Volgens Popper is het gevaarlijk om te zoeken naar de ‘beste heerser’. Veel belangrijker, zo stelt hij, is het ontwerp van een systeem waarin slechte leiders veilig kunnen worden vervangen zonder bloedvergieten. Dáárin schuilt volgens hem de ware kracht van de democratie.Die gedachte wordt ook gedeeld door natuurkundige Sean Carroll. In zijn podcast Mindscape benadrukt hij dat verkiezingen op zich nog geen bewijs zijn van een functionerende democratie. Het doorslaggevende criterium is of de macht op regelmatige en vreedzame wijze kan worden overgedragen. Rusland is hier een sprekend tegenvoorbeeld: er zijn verkiezingen, maar de machtswisseling zelf lijkt systematisch onmogelijk te worden gemaakt.
De titel van het boek roept direct fundamentele vragen op. Wat bedoelen we eigenlijk met “deugen”? Wiens maatstaf hanteren we: die van Rutger Bregman zelf, van een liberaal-democratische samenleving, of misschien die van een religieuze of extremistische ideologie? En als het klopt dat “de meeste mensen” deugen — wat betekent dat dan praktisch voor ons gedrag of wereldbeeld? Is onze samenleving niet al impliciet gebaseerd op het vertrouwen dat anderen zich meestal fatsoenlijk gedragen?
Bregman onderbouwt zijn stelling met historische voorbeelden waarin mensen onder druk toch moreel lijken te handelen. Maar het blijft de vraag of deze voorbeelden representatief zijn voor de mensheid als geheel. Er lijkt geen empirische basis te zijn die de bewering op wereldschaal rechtvaardigt. Zijn er statistische gegevens per continent of cultuurgebied? En zo ja, welke “deugnorm” gebruiken we om dat te meten?
Een enkele dramatische uitzondering is soms genoeg om een systeem te ontwrichten. Neem het voorbeeld van een vliegtuig met vijfhonderd passagiers, waarvan er één een zelfmoordterrorist blijkt te zijn. Hoewel 99,8% van de mensen in dat toestel “deugt”, leidt één afwijking tot rampzalige gevolgen. Wat moeten we dan met de geruststellende boodschap dat “de meeste mensen” welwillend zijn? Verandert dat onze gedragskeuzes of levenshouding wezenlijk? Bregman verzet zich tegen het idee dat altruïstisch gedrag voortkomt uit egoïstische motieven en noemt dat cynisch. Maar wellicht is het zinvoller om de term “egoïsme” zelf te heroverwegen. Die term is zwaar beladen. In plaats daarvan kunnen we spreken van egocentrisme of subjectieve overlevingslogica. Een treffende metafoor hiervoor is het zuurstofkapje in het vliegtuig: passagiers wordt geadviseerd eerst hun eigen kapje op te zetten voordat ze anderen helpen. Dat lijkt egoïstisch, maar is in werkelijkheid een noodzakelijke voorwaarde om effectief te kunnen zorgen voor de ander. In bredere zin: men kan pas bijdragen aan het voortbestaan van de groep als men eerst zelf in staat is te functioneren. Vanuit evolutionair perspectief is gedrag dat “deugt” niet per se moreel of weloverwogen. Het is veeleer een geprogrammeerde neiging in ons genetisch systeem — ontwikkeld om de kans op overleven van individu én groep te vergroten. Wat wij als “goed” beschouwen is dus niet absoluut, maar contextueel, pragmatisch en variabel. De ene mens is empathischer dan de ander, maar dat verschil is juist evolutionair van belang. In sommige omgevingen overleven de meer coöperatieve types, in andere de opportunisten. In die zin is het misschien zelfs wenselijk dat niet iedereen “deugt”.De populariteit van Bregmans boek lijkt deels voort te komen uit het verlangen naar een positief mensbeeld — een soort collectieve zelfaffirmatie. De boodschap dat wij, als soort, “wel goed zitten” in moreel opzicht, geeft een geruststellend gevoel. Dat is begrijpelijk. Maar tegelijk wringt het, wanneer dit optimisme wordt gepresenteerd als iets radicaal nieuws of baanbrekend. De idee dat mensen doorgaans vertrouwen verdienen, vormt immers al lang de stilzwijgende basis van het sociaal verkeer. Als we werkelijk zouden geloven dat mensen overwegend níét deugen, zouden we geen postbode vertrouwen, geen brug overlopen en zelfs geen gesprek aangaan. We nemen dagelijks talloze sociale risico’s, juist omdat het sociale contract — dat de meeste mensen zich aan basale fatsoensnormen houden — al verinnerlijkt is.
Bregmans Engelse titel, Humankind: A Hopeful History, suggereert meer bescheidenheid dan de Nederlandse versie. Misschien dat men in het Engels bewust afstand heeft genomen van de beladen en normatieve formulering “de meeste mensen deugen”. Want dat is, bij nadere beschouwing, eerder een waardeoordeel dan een feitelijke constatering.
Concluderend: het boek roept relevante vragen op en verdient waardering om zijn optimistische toon. Maar een beschouwend lezer mag kritische kanttekeningen plaatsen bij de pretentie, de bewijslast en het normatieve kader waarin “deugen” wordt gepresenteerd.
Wanneer het voortbestaan van de mens op aarde in gevaar komt, zouden we ons kunnen wenden tot het idee van interstellaire migratie. De evolutionaire drijfveer tot zelfbehoud en voortplanting dwingt ons immers voortdurend te zoeken naar overlevingsstrategieën. Maar reizen naar planeten buiten ons zonnestelsel is met de huidige technologie praktisch onhaalbaar. De afstanden zijn te groot, de snelheden te laag, en de benodigde energie te immens.
Wat als we in plaats van fysieke verplaatsing kiezen voor informatieve transmissie? Licht, gedragen door massaloze fotonen, kan zich met de hoogste bekende snelheid voortbewegen. Wanneer alleen informatie — en dus geen materie — hoeft te worden verzonden, kunnen we gebruikmaken van deze maximale snelheid.
De fundamentele vraag is dan: Wat maakt een mens tot wie hij is? Als we ervan uitgaan dat het ‘mens-zijn’ volledig bepaald wordt door de configuratie van atomen, moleculen, neuronen en hun onderlinge relaties — kortom, de exacte structuur van lichaam en brein — dan zou deze informatie theoretisch vastgelegd kunnen worden. Een volledige digitale scan van een persoon zou dan kunnen dienen als basis voor reconstructie elders in het universum.
Dit leidt tot een alternatieve benadering van ruimtevaart:
Mogelijke scenario’s:
Deze methode biedt enkele belangrijke voordelen:
We zouden dit principe op aarde kunnen testen door bijvoorbeeld digitale overbrenging van een object of levend wezen tussen twee locaties op aarde — één als zender, één als ontvanger — waarbij het object ter plekke uit lokale atomen wordt opgebouwd.
Ter illustratie: het dichtstbijzijnde sterrenstelsel Proxima Centauri ligt op ongeveer 4,25 lichtjaar afstand. Zelfs met een raket die 100.000 km/u vliegt, zou de reis ruim 46.000 jaar duren. Informatie via lichtsignalen zou binnen iets meer dan vier jaar aankomen.
Deze benadering plaatst ons voor fundamentele vragen: Wordt een kopie van onszelf op een andere planeet werkelijk als 'wij' beschouwd? En zo ja, wat betekent dat voor ons begrip van identiteit, continuïteit en persoonlijk bewustzijn?
Naar aanleiding van een podcast over Baruch Spinoza (1632–1677) vat Putra enkele kernpunten samen, gecombineerd met eigen overwegingen:
Deze redenering leidt tot een interessante kanttekening: zijn dieren dan werkelijk niet in staat tot leren? Putra wijst op het voorbeeld van een hond die herhaaldelijk gefopt wordt met een bal. Na enkele pogingen herkent het dier het bedrog en weerstaat zijn impuls. Ook het trainen van dieren toont aan dat zij wel degelijk over een vorm van lerend vermogen beschikken. Wellicht doet Spinoza hen in dat opzicht tekort.
In een tweede podcast bespreekt David Haig (2020) de evolutie van betekenis, van Darwin tot Derrida. Putra vat de belangrijkste inzichten als volgt samen:
Voortplanting is een complex biologisch proces dat betrekking heeft op DNA, RNA, cellen en genen. Hieronder volgt een overzicht van hoe deze elementen samenwerken tijdens de voortplanting:
Kortom, voortplanting omvat de overdracht van genetische informatie van ouders naar nakomelingen via gameten. DNA levert de blauwdruk voor het bouwen van organismen, terwijl genen de instructies bevatten voor de aanmaak van eiwitten die essentieel zijn voor het leven. RNA en celdelingsprocessen spelen een cruciale rol bij het vertalen van deze genetische informatie tijdens de ontwikkeling van een nieuw individu.
Het verouderingsproces bij mensen is een complex biologisch fenomeen dat wordt beïnvloed door genetische, omgevings- en levensstijlfactoren. Hoewel de exacte mechanismen nog niet volledig begrepen zijn, bestaan er verschillende hypothesen en theorieën die proberen te verklaren hoe en waarom veroudering optreedt.
Hieronder volgen enkele belangrijke aspecten van het verouderingsproces:
Het verouderingsproces is het resultaat van een complex samenspel van genetische, cellulaire, hormonale, immunologische en omgevingsfactoren. Hoewel veroudering onvermijdelijk is, kunnen gezonde levensstijlkeuzes — zoals een evenwichtig dieet en regelmatige lichaamsbeweging — bijdragen aan het vertragen van het proces en het verbeteren van de kwaliteit van leven op latere leeftijd. Onderzoek naar veroudering en mogelijke interventies blijft een actief en groeiend wetenschapsgebied.
Platwormen, zoals de regenererende platworm (Planaria), hebben een opmerkelijke capaciteit voor regeneratie en lijken geen duidelijk verouderingsproces te vertonen zoals bij veel andere organismen. Hier zijn enkele kenmerken van hoe het verouderingsproces werkt bij platwormen:
Het is belangrijk op te merken dat platwormen, hoewel zij fascinerende eigenschappen hebben met betrekking tot regeneratie en veroudering, niet direct vergelijkbaar zijn met mensen en andere gewervelde dieren wat betreft verouderingsprocessen. Er is nog veel te ontdekken over de genetische, moleculaire en cellulaire mechanismen die betrokken zijn bij de biologie van platwormen en hun vermogen om veroudering te vermijden. Onderzoek naar platwormen kan echter belangrijke inzichten bieden voor regeneratieve geneeskunde en voor het begrijpen en behandelen van veroudering bij andere organismen.
Nietzsche zei tegen de koe: "Waarom ben je zo gelukkig?" En de koe zei: "Dat komt omdat ik niet denk in de toekomst en verleden, ik denk nergens aan" — maar toen die dat wilde zeggen was hij het al weer vergeten.— Friedrich Nietzsche
Übermensch is de naam, bedacht door Nietzsche, voor de dappere mens die het leven volledig kan omarmen en zelf nieuwe waarden kan creëren. De Übermensch is geen superieur mensenras, maar de mens die geen illusies creëert om het bestaan te verzachten. "De mens is een koord, geknoopt tussen dier en Übermensch. "— Friedrich Nietzsche
Het leven heeft geen doel, het doel is het leven zelf.— Jean-Paul Sartre
Je moet mensen geen filosofie onderwijzen; in plaats daarvan zou je ze moeten leren hoe ze moeten filosoferen. "Verlichting" is de overgang van mentale onvolwassenheid naar mentale volwassenheid.— Immanuel Kant