Mensen

Meditaties over de Relativiteit van Ethiek

door Albert Prins

Is de Mens zelf ook een ‘Groep’?


Wat we als één mens beschouwen, is in wezen een samenwerkend systeem — zoals groepen dat ook zijn.

Start:

In het vorige hoofdstuk hebben we min of meer gesteld dat de mens een bestaand, aanraakbaar, ding is, maar dat het begrip groep een concept is en als zodanig niet aanraakbaar. Maar ook hier kunnen we enkele kanttekeningen bij plaatsen.

Zoals we later bij de “Sterfelijkheid van de Mens.” zullen beweren is evolutionair gezien het doorgeven en in stand houden van de genen blijkbaar belangrijker dan het in stand houden van de mens als individu. De mens is sterfelijk en is nuttig als vehikel om de genen van generatie op generatie door te geven. Maar als we de mens op microscopisch niveau bekijken dan zien we dat de mens bestaat uit een samenstel van organen. Allemaal bedoeld om het vehikel mens de mogelijkheid te geven om zichzelf zo lang mogelijk in stand te houden om zo genoeg genen door te kunnen geven. Zo hebben we benen om te vluchten wanneer er gevaar heerst, zo hebben we ogen en handen om voedsel te kunnen bemachtigen en beoordelen of het eetbaar is. Zo hebben we intern verschillende organen en systemen die samenwerken om het lichaam te laten functioneren. Deze organen en systemen vormen een geïntegreerd geheel dat nodig is voor het overleven en functioneren van het individu.

Maar kunnen we één individu ook zien als een stelsel van organen, systemen en ledematen die met elkaar één groep vormen. Dus zoals we in het vorige hoofdstuk beweerden dat een groep een concept, een idee, is maar eigenlijk zijn het alleen maar separate individuen, entiteiten. Maar ter volledigheid kunnen we ons dus ook de vraag stellen in hoeverre de mens ook zelf weer een groep is. Vormt op microschaal dat individu zelf ook weer een groep, bestaande uit individuele elementen zoals organen enzovoort?

Wanneer we naar een grote vlucht spreeuwen kijken die in de lucht zwermen, dan moeten ze, bijvoorbeeld bij dreigend gevaar van roofvogels, regelmatig uitwijken. Daar hebben ze een botsvrije oplossing voor: ze houden maximaal zeven buurvogels in de gaten en zorgen dat ze daar niet tegenaan vliegen. Als een paar spreeuwen van koers veranderen, dan verspreidt die beweging zich door de hele wolk omdat ze zich allemaal razendsnel aanpassen aan de zeven buren. Op afstand ziet een dergelijke groep eruit als één individuele flexibele cel.

Het lijkt alsof er tussen de spreeuwen een kracht is die alle elementen bij elkaar houdt. Dit lijkt een geprogrammeerde opdracht te zijn in iedere vogel om dicht bij elkaar te blijven, maar met toch voldoende ruimte om te kunnen blijven vliegen. Door de zwenkingen van de zwerm zal een spreeuw zich soms aan de buitenkant en zich dan weer binnen de zwerm bevinden. Het is niet duidelijk of dit in de genen zit en zo evolutionair is ontwikkeld of dat het kopie gedrag is en “afgekeken” van bijvoorbeeld de moeder.

Bij de mens zelf worden alle interne elementen, op microniveau, bij elkaar gehouden door atomaire krachten en dus elektrische krachten tussen atomen. Dus hier geen virtuele maar fysieke krachten.

Ook andere virtuele krachten kunnen beschouwd worden zoals, bijvoorbeeld bij twee personen die tennis spelen. Hier wordt het gedrag van de personen bepaald door de bal die van de ene naar de andere kant gaat en zo de personen door het veld trekt. Zo lijkt het alsof de personen door een elastische lijn aan elkaar verbonden zijn.

Ook bijvoorbeeld bij twee gescheiden ouders met kind. Hierbij blijft de ene ouder verbonden met de andere ouder door het bestaan van het kind. Ook hier weer door een wederzijdse virtuele kracht.

Ook in groepen van mensen zijn er virtuele, psychische, krachten, die op die personen attractief werken om de groep bijeen te houden en goed te laten functioneren.

Al deze krachten zijn virtueel en hier mentaal geprogrammeerd, via aangeboren - of aangeleerd gedrag, of zoals de Engelsen zeggen: “nature or nurture”. Het onderscheid met de individuele persoon is dat binnen die persoon een fysieke kracht bestaat tussen de elementen onderling. Dus misschien moeten we één mens inderdaad niet zien als een groep van organen, maar als individu, een entiteit, fysiek samengehouden door elektrische atomaire krachten. Terwijl voor groepen, twee individuen of meer, geldt dat daar een meer virtuele kracht geldt. Deze virtuele kracht is dan een aangeboren of aangeleerde drang in de mens.

We kunnen een groep ook definiëren als een verzameling van dingen waarbij die dingen op zich ook zelfstandig kunnen functioneren. Of wel als we de groep spreeuwen opsplitsen in separate spreeuwen dan kunnen die spreeuwen nog steeds voortbestaan. Hetzelfde geldt voor de mens, dat de mens ook zelfstandig kan functioneren, misschien met een verlaagde overlevingskans, maar wanneer we de mens opsplitsen in zijn separate organen dan is het gedaan met zijn voortbestaan.

Het is daarom misschien wat vergezocht om de mens, als individu, op zichzelf als groep te zien.