Mensen

Overpeinzingen over de Relativiteit van Ethiek

door Albert Prins

Transporteren via Digitale Codering.


Wanneer het voortbestaan van de mens op aarde in gevaar komt, zouden we ons kunnen wenden tot het idee van interstellaire migratie. Vanuit evolutionair perspectief kunnen drijfveren tot zelfbehoud en voortplanting worden gezien als belangrijke factoren die ons ertoe aanzetten naar overlevingsstrategieën te zoeken. Maar reizen naar planeten buiten ons zonnestelsel is met de huidige technologie praktisch onhaalbaar. De afstanden zijn te groot, de snelheden te laag, en de benodigde energie te immens.

Wat als we in plaats van fysieke verplaatsing kiezen voor informatieve transmissie? Elektromagnetische straling, waaronder licht, kan zich in vacuüm met de lichtsnelheid voortplanten, ongeveer 300.000 kilometer per seconde. Wanneer alleen informatie, en dus geen materie, hoeft te worden verzonden, kunnen we gebruikmaken van deze maximale snelheid.

De fundamentele vraag is dan: Wat maakt een mens tot wie hij is? Als we ervan uitgaan dat het ‘mens-zijn’ volledig bepaald wordt door de configuratie van atomen, moleculen, neuronen en hun onderlinge relaties, kortom, de exacte structuur van lichaam en brein, dan zou deze informatie theoretisch vastgelegd kunnen worden.

Daarbij moeten we wel aannemen dat een dergelijke volledige beschrijving überhaupt mogelijk is en dat de relevante informatie met voldoende nauwkeurigheid kan worden gemeten en opgeslagen. Of zo'n beschrijving daadwerkelijk voldoende zou zijn om een bewust persoon te reconstrueren, is geen vaststaand wetenschappelijk gegeven maar een filosofische en wetenschappelijke hypothese.

Een volledige digitale scan van een persoon zou dan kunnen dienen als basis voor reconstructie elders in het universum.

Dit leidt tot een alternatieve benadering van ruimtevaart:

Mogelijke scenario’s:

  1. Op de ontvangende planeet bestaat een beschaving met vergelijkbare technologie die de informatie kan decoderen en virtueel reconstrueren.
  2. Deze beschaving beschikt over de capaciteit om fysieke lichamen op te bouwen uit lokaal beschikbare atomen op basis van de ontvangen structuur.
  3. Als er slechts basiselementen beschikbaar zijn, zoals waterstof, zouden zwaardere elementen synthetisch opgebouwd kunnen worden, mits de omgeving geschikt is.

In alle drie de gevallen blijft echter een fundamenteel probleem bestaan: de informatie beschrijft een persoon, maar de overdracht van die informatie bewijst nog niet dat het oorspronkelijke bewustzijn wordt overgedragen.

Deze methode biedt enkele belangrijke voordelen:

Daar staat tegenover dat een volledige beschrijving van een mens waarschijnlijk een enorme hoeveelheid informatie zou bevatten. De bewering dat hiervoor relatief weinig energie nodig zou zijn, is daarom te sterk zolang we niet weten hoeveel informatie daadwerkelijk moet worden gemeten, opgeslagen en verzonden.

We zouden dit principe op aarde kunnen testen door bijvoorbeeld digitale overbrenging van een object of levend wezen tussen twee locaties op aarde, één als zender, één als ontvanger, waarbij het object ter plekke uit lokale atomen wordt opgebouwd.

Een dergelijk experiment zou echter niet betekenen dat het oorspronkelijke object letterlijk wordt “getransporteerd”. Het zou aantonen dat informatie over een object kan worden gebruikt om elders een fysiek equivalent te reconstrueren. Juist het onderscheid tussen transport, reconstructie en kopiëren vormt hier het centrale probleem.

Ter illustratie: de dichtstbijzijnde bekende ster bij de zon is Proxima Centauri, op ongeveer 4,24 lichtjaar afstand. Zelfs met een raket die 100.000 km/u vliegt, zou de reis ruim 45.000 jaar duren. Informatie daarentegen zou zich met de lichtsnelheid in iets meer dan vier jaar over deze afstand kunnen verplaatsen.

Deze benadering plaatst ons voor fundamentele vragen:

Wordt een kopie van onszelf op een andere planeet werkelijk als ‘wij’ beschouwd?

En zo ja, wat betekent dat voor ons begrip van identiteit, continuïteit en persoonlijk bewustzijn?

Misschien blijkt daarmee dat het grootste probleem van interstellaire digitale transportatie uiteindelijk niet in de techniek ligt, maar in onze definitie van persoonlijke identiteit.

Zelfs wanneer we technisch in staat zouden zijn om een perfecte reconstructie van een mens te maken, blijft de vraag onbeantwoord of we daarmee die mens daadwerkelijk hebben vervoerd — of slechts een nieuwe versie van hem hebben gecreëerd.

Stel dat een persoon op aarde volledig wordt gescand en dat alle relevante informatie vervolgens naar een andere planeet wordt verzonden. Daar wordt, met behulp van lokaal beschikbare materie, een lichaam en brein opgebouwd die tot op het kleinste detail overeenkomen met het origineel. De gereconstrueerde persoon beschikt over dezelfde herinneringen, dezelfde persoonlijkheid en dezelfde overtuigingen.

Voor de gereconstrueerde persoon zelf zou het kunnen voelen alsof hij de reis heeft gemaakt. Maar vanuit het perspectief van de oorspronkelijke persoon weten we niet of zijn bewustzijn zich daadwerkelijk heeft verplaatst.

Het probleem wordt nog duidelijker wanneer het oorspronkelijke lichaam niet wordt vernietigd. Dan bestaan er na de reconstructie twee personen die tot het moment van kopiëren exact dezelfde herinneringen en persoonlijkheid hebben. Beiden kunnen met recht zeggen: “Ik ben Trebla.” Vanaf het moment van de reconstructie beginnen hun ervaringen echter uiteen te lopen.

En wanneer er honderd identieke reconstructies worden gemaakt, ontstaat dezelfde vraag honderd keer.

Dan lijkt informatie alleen in ieder geval niet voldoende om zonder meer vast te stellen dat persoonlijke identiteit behouden is.

Misschien is persoonlijke identiteit daarom niet uitsluitend gebaseerd op de materiële structuur van het lichaam, en ook niet alleen op de informatie die in de hersenen aanwezig is. Misschien speelt ook de continuïteit van het bewustzijn een fundamentele rol.

Daarmee komen we uiteindelijk terug bij de vraag uit hoofdstuk 6:

Waar zit identiteit?

Misschien ligt het uiteindelijke probleem van digitale transportatie daarom niet in de vraag of wij voldoende informatie kunnen verzenden, maar in een veel fundamentelere vraag:

Kunnen we een mens werkelijk transporteren, of kunnen we alleen een nieuwe mens creëren die zich herinnert dat hij de oorspronkelijke mens is?

Dat is misschien wel het meest intrigerende probleem van digitale interstellaire migratie.