Mensen

Over de Relativiteit van Ethiek, Evolutie en Gedrag

door Albert Prins

Wat is de mens?


Kernzin:
Het gevoel van persoonlijke identiteit lijkt sterker verbonden met het functioneren van de hersenen dan met afzonderlijke onderdelen van het fysieke lichaam

Zoals hierboven beschreven bestaat de mens uit allerlei organen, systemen en ledematen. Wat als één orgaan wordt verwijderd, blijft die persoon dezelfde of wordt hij een beetje ander persoon? Hoe bepalen we wat een persoon is en wat bepaalt het mens-zijn? Wordt hij bepaald door zijn gedrag of door zijn uiterlijk?

Als een persoon een nieuwe kunstheup krijgt, verandert hij dan als persoon? Als hij bekend staat als een Olympisch atleet dan verandert dat inderdaad zijn prestaties als atleet, maar beschouwen we hem dan ook als mens te zijn veranderd? Dat geldt ook wanneer het hart vervangen wordt enzovoort. Hoeveel lichaamsdelen en organen kunnen we vervangen voordat iemand niet meer dezelfde persoon is? Als er door een operatie of anderszins iets aan de hersenen wordt veranderd, lijkt dat in het algemeen een grotere verandering van de persoon te kunnen veroorzaken. Het blijft dus afhankelijk van wat men als kenmerkende factor van die persoon beschouwt.

Een belangrijk verschil tussen mensen en veel andere diersoorten is de mate waarin menselijke hersenen bepaalde vormen van abstract denken, taal, planning en zelfreflectie mogelijk maken. Door het gebruik van hersenen kan hij over toekomst en verleden denken, hij kan rekenen en schrijven, hij kan naar zijn medemens communiceren in begrijpbare geluiden. Ook andere dieren beschikken over vormen van communicatie, planning, geheugen en probleemoplossend vermogen, maar menselijke taal en abstract denken hebben een uitzonderlijke complexiteit bereikt. Al deze vaardigheden worden in eerste instantie aangestuurd door de hersenen en verder uitgevoerd met behulp van diverse organen: armen, handen, stem, ogen enzovoort.

Belangrijke kenmerken zijn onder andere:

Als voorbeeld kunnen we kijken naar Stephen Hawking, de Britse natuurkundige, die de ziekte amyotrofe laterale sclerose (ALS) kreeg en waardoor zijn spiercontrole steeds verder werd aangetast, terwijl zijn cognitieve vermogens grotendeels intact bleven. In dit geval werd Hawking toch beschouwd als dezelfde persoon van voor de ziekte, behalve uiteraard de fysieke kenmerken. Komt dit omdat de kenmerkende factor voor Hawking zijn denkvermogen was?

Zou bij Usain Bolt, de Jamaicaanse hardloper, dat anders geweest zijn wanneer zijn denkvermogen tot een laag niveau zou zijn gedaald maar zijn sprintprestaties niet?

Deze twee voorbeelden laten zien dat we persoonlijke identiteit niet eenvoudig kunnen afleiden uit lichamelijke prestaties. Bij Hawking werd het lichaam steeds minder in staat om zijn bedoelingen uit te voeren, terwijl we hem als dezelfde persoon bleven beschouwen. Bij Bolt kunnen we ons het omgekeerde voorstellen: een vrijwel volledig intact lichaam, maar een sterk veranderd denkvermogen. Zou hij dan nog dezelfde persoon zijn?

Alles bij elkaar genomen lijkt persoonlijke identiteit sterk samen te hangen met het functioneren van de hersenen. Of zoals de titel van het boek van Swaab luidt: Wij zijn ons brein.

Maar juist deze gedachte roept een volgende vraag op. Als persoonlijke identiteit zo sterk samenhangt met de hersenen, is een persoon dan volledig tot zijn hersenen te reduceren? Of spelen ook herinneringen, persoonlijkheid, ervaringen en de continuïteit van het bewustzijn een rol?

Wanneer we dat zo beschouwen schiet mij een anekdote te binnen verteld door een filosoof, die als volgt gaat:

Een oude man op hoge leeftijd die lichamelijk zo verzwakt is dat hij niet lang meer te leven heeft, maar wiens denkvermogen nog uitstekend is, heeft een gesprek met een atletische jonge man. Hij zegt tegen de jonge man:

“Ik heb niet lang meer te leven, maar jij bent nog jong, knap, atletisch en heb nog een heel leven voor je. Je bent bijna perfect, maar het enige minpuntje is dat je denkvermogen, waarmee je nu eenmaal bent geboren, niet erg geweldig is. Aangezien ik aan het eind van mijn leven ben, heb ik toch niet veel meer aan mijn hersenen en daarom bied ik aan om mijn hersenen te laten transplanteren naar jouw hoofd en die van jou naar mijn hoofd. Dan gaat jouw levenskwaliteit danig omhoog en voor mij maakt het niet meer uit.”

Wat de jonge man hierop heeft geantwoord is niet bekend, maar het is een aardige gedachte-exercitie die intrigerende vragen oproept:

Als de hersenen van de oude man in het lichaam van de jonge man worden geplaatst, wie is dan de oude man en wie is de jonge man?

  • Waar zit identiteit?
  • Waar maakt iemand "zichzelf"?

En misschien nog fundamenteler: wat betekent het dat deze persoon, hoe duidelijk we hem ook proberen te definiëren, uiteindelijk sterfelijk is?