Is de mens zelf ook een ‘groep’?
Kernzin:
Wat we als individu zien, is zelf een samenwerkend systeem.
In het vorige hoofdstuk hebben we min of meer gesteld dat de mens een afzonderlijke, tastbare entiteit is, terwijl een groep als geheel niet op dezelfde manier als één afzonderlijke entiteit kan worden aangeraakt of waargenomen. Maar ook hier kunnen we enkele kanttekeningen bij plaatsen.
Zoals we later bij de “Sterfelijkheid, evolutie en het tijdelijke individu” zullen bespreken, berust natuurlijke selectie op verschillen in overleving en voortplanting, waardoor sommige erfelijke eigenschappen gemiddeld vaker aan volgende generaties worden doorgegeven dan andere. De mens is sterfelijk en vormt daarmee een tijdelijke drager van genetische informatie die via voortplanting kan worden doorgegeven.” Maar als we de mens op microscopisch niveau bekijken dan zien we dat de mens bestaat uit een samenstel van organen. Deze organen en systemen werken samen om het lichaam in stand te houden en het individu zo lang mogelijk te laten functioneren. Zo hebben we benen om te vluchten wanneer er gevaar heerst, zo hebben we ogen en handen om voedsel te kunnen bemachtigen en te beoordelen of het eetbaar is. Zo hebben we intern verschillende organen en systemen die samenwerken om het lichaam te laten functioneren. Deze organen en systemen vormen een geïntegreerd geheel dat nodig is voor het overleven en functioneren van het individu.
Maar kunnen we één individu ook zien als een stelsel van organen, systemen en ledematen die samen een ‘groep’ vormen? Dit roept dezelfde vraag op als in het vorige hoofdstuk: als een groep bestaat uit afzonderlijke individuen, wat onderscheidt een groep dan van een individu dat zelf uit verschillende samenwerkende onderdelen bestaat?
Wanneer we naar een grote vlucht spreeuwen kijken die in de lucht zwermen, dan moeten ze, bijvoorbeeld bij dreigend gevaar van roofvogels, regelmatig uitwijken. Daar hebben ze een botsvrije oplossing voor: ze reageren voortdurend op de bewegingen van een beperkt aantal naburige vogels en zorgen ervoor dat ze voldoende afstand houden om botsingen te voorkomen. Als een paar spreeuwen van koers veranderen, dan verspreidt die beweging zich door de hele wolk omdat ze zich allemaal razendsnel aanpassen aan de bewegingen van hun directe buren. Op afstand ziet een dergelijke groep eruit als één individuele flexibele cel.
Het lijkt alsof er tussen de spreeuwen een kracht is die alle elementen bij elkaar houdt. Dit lijkt op een vooraf geprogrammeerde opdracht, maar het is waarschijnlijker dat iedere vogel beschikt over evolutionair gevormde gedragsmechanismen die ervoor zorgen dat hij op zijn omgeving en op andere vogels reageert. Dit kan worden aangevuld met aangeleerd gedrag en directe imitatie. Door de zwenkingen van de zwerm zal een spreeuw zich soms aan de buitenkant en zich dan weer binnen de zwerm bevinden. De precieze verhouding tussen aangeboren gedrag, individuele waarneming en aangeleerd gedrag is daarbij niet eenvoudig vast te stellen.
Bij de mens zelf worden de verschillende onderdelen op microscopisch niveau bijeengehouden door fysische interacties tussen atomen en moleculen. Hier gaat het dus om fysieke interacties, niet om sociale of psychologische relaties.
Bij groepen van mensen kunnen we daarnaast spreken over een andere soort samenhang. Twee of meer individuen kunnen door hun onderlinge relaties zodanig op elkaar reageren dat hun gedrag als één samenwerkend systeem kan worden beschouwd. Ik gebruik hiervoor de term ‘virtuele kracht’, maar daarmee bedoel ik nadrukkelijk geen natuurkundige kracht. Het gaat om de psychologische en sociale invloed die individuen door hun onderlinge relaties op elkaar uitoefenen.
Ook andere relationele krachten kunnen beschouwd worden zoals, bijvoorbeeld bij twee personen die tennis spelen. Hier wordt het gedrag van de personen bepaald door de bal die van de ene naar de andere kant gaat en zo de personen door het veld trekt. Zo lijkt het alsof de personen door een elastische lijn aan elkaar verbonden zijn.
Ook bijvoorbeeld bij twee gescheiden ouders met een kind. Hierbij blijft de ene ouder met de andere ouder verbonden door het bestaan van het kind. Ook hier ontstaat een blijvende relationele en sociale verbondenheid.
Ook in groepen van mensen zijn er psychologische en sociale krachten die op die personen invloed uitoefenen en kunnen bijdragen aan het bijeenhouden en functioneren van de groep. Die krachten kunnen voortkomen uit aangeboren eigenschappen, aangeleerd gedrag, gedeelde ervaringen, verwachtingen en onderlinge afhankelijkheid. Of, zoals de Engelsen zeggen: “nature or nurture”.
Het onderscheid met een menselijke groep is daarom niet dat een mens uit afzonderlijke onderdelen bestaat en een groep niet. Beide zijn samengesteld uit meerdere elementen. Het verschil is dat de onderdelen van een mens fysiek en biologisch geïntegreerd zijn tot één organisme, terwijl de samenhang binnen een menselijke groep voornamelijk ontstaat uit sociale, psychologische en relationele processen. Deze samenhang kan voortkomen uit aangeboren of aangeleerde drijfveren, maar ook uit de relaties en omstandigheden waarin mensen zich bevinden.
We kunnen een groep ook definiëren als een verzameling van entiteiten die ieder op zichzelf tot op zekere hoogte zelfstandig kunnen functioneren. Als we een zwerm spreeuwen opsplitsen in afzonderlijke spreeuwen, kunnen die spreeuwen zelfstandig blijven voortbestaan. Hetzelfde geldt voor de mens, dat de mens ook zelfstandig kan functioneren, misschien met een verlaagde overlevingskans, maar wanneer we de mens opsplitsen in zijn separate organen dan is het gedaan met zijn voortbestaan.
Daarom blijft het zinvol om de mens als entiteit te beschouwen, maar wel als een uiterst complex systeem.
En dat brengt ons bij een nog fundamentelere vraag: Wat bedoelen we eigenlijk met ‘de mens’?