Mensen

Over de Relativiteit van Ethiek, Evolutie en Gedrag

door Albert Prins

Hoe werd de mens zoals hij nu is?


Kernzin: De mens is geëvolueerd als een soort die zijn overleving verzekert via genetische drijfveren, variatie en sociale samenwerking.

TREBLA: Om een idee te krijgen van hoe de huidige mens is zoals hij vandaag is, kunnen we via de volgende lijn van denken reizen. Dit denken is hier voornamelijk gebaseerd op de evolutietheorie.

Er kunnen verschillende manieren zijn geweest waarop de evolutie van de mens heeft plaatsgevonden en ze kunnen verschillende, onbewuste, strategieën hebben gevolgd. Alleen strategieën die succesvol waren in voortbestaan, hebben geleid tot de mens zoals we die nu kennen.

Hier moeten we een onderscheid maken tussen de mens als individu en de mens als soort. Het leven van het individu is maar tijdelijk, maar wat de menselijke soort betreft, blijft ze nog steeds overleven. De soort heeft dus bewezen volhardender te zijn dan het individu. Dus om net zo succesvol te zijn als de menselijke soort, moet er een inherente strategie zijn die streeft naar voortzetting van de soort. Maar de soort zelf is geen tastbare zaak, het is een concept. De soort bestaat alleen uit individuele mensen die in de loop van de tijd worden vervangen door nieuwe personen. En uiteraard geldt dat ook voor ieder soort zowel dieren als planten.

Er zijn nu enkele opties:

  1. Elk individu heeft als belangrijkste doel het voortbestaan van de groep als geheel.
  2. Het belangrijkste doel van elk individu is alleen zijn eigen overleving met als bijwerking het voortbestaan van de groep.
  3. De groep bestaat uit een mix van de twee hierboven genoemde typen individuen.

Wat betreft optie 1, als elk persoon zichzelf opoffert voor de groep, is de kans groot dat deze persoon vroegtijdig zal sterven, minder of geen nakomelingen zal hebben en bijgevolg zal de groep in omvang afnemen of zelfs geheel uitsterven.

ALEX: Dus de soort is eigenlijk belangrijker dan het individu?

TREBLA: Rationeel gezien is het aannemelijk dat elk individu "geprogrammeerd" is om te streven naar zijn eigen overleving en onbewust realiseert dat hij de groep moet ondersteunen om de kans op zijn eigen individuele overleving te vergroten, met als neveneffect dat hij helpt om de groep in stand te houden.

Zoals we weten, heeft een persoon slechts een beperkte levensduur en lijkt het erop dat de overlevingsstrategie van elke persoon niet alleen gericht is op zijn eigen fysieke overleving, maar ook op zijn nalatenschap in de vorm van zijn kinderen. Dit zijn allemaal geen bewuste acties, maar maken deel uit van het motivatiesysteem van een persoon dat in de loop van de tijd is geëvolueerd via een selectie van de soort. Het is dus geen teleologisch systeem (doelgericht), maar evolueert alleen door willekeurige toevalligheden.

ALEX: Het lijkt er op dat de evolutie werkt in de richting van het doorgeven van genen waardoor de soort in stand blijft. Waarbij egoïsme en samenwerking geen tegenstellingen zijn.

TREBLA: Precies. Ze versterken elkaar. En om de soort in stand te houden is de belangrijkste “taak” van het individu om zelf te overleven om zo zijn genen te kunnen doorgeven. Hiervoor is een partner nodig. Wanneer hij of zij een partner vindt beseft het individu, misschien onbewust, dat hij niet alleen voor zichzelf moet zorgen, maar ook voor de partner omdat er anders geen genen kunnen worden doorgegeven. Dit alles gebeurt dus voor het individu onbewust, en is een aangeboren (nature) of door evolutie ontwikkelde drijfveren van ieder individu zoals:

ALEX: En variatie tussen mensen?

TREBLA: Essentieel. Diversiteit maakt een soort veerkrachtig. Het is de belangrijkste eigenschap van de evolutionaire benadering, elk individu is een beetje anders. Wanneer de omstandigheden veranderen, zullen de personen die het meest “passend” zijn in deze nieuwe situatie het best gedijen en dus het nieuwe gemiddelde worden. En dus zal de belangrijkste ontwikkeling plaatsvinden langs de lijnen van dit nieuwe gemiddelde.

Als we streven, bijvoorbeeld via DNA-manipulatie of voortplantingstechnieken, om elk persoon perfect te maken passend bij de heersende gemiddelde eigenschappen, ontstaat er een soort incestueuze soort die gedoemd is te verdwijnen. Het is geoptimaliseerd voor de huidige situatie, maar is kwetsbaar wanneer de situatie begint te veranderen. Dus, als we de natuur vrij laten evolueren, zullen allerlei soorten mensen met allerlei, verschillende eigenschappen regelmatig opstaan om voorbereid te zijn op eventuele geschiktheid voor die verschillende omstandigheden. Dus variëteit en diversiteit is van het grootste belang voor continuïteit.

ALEX: Ik begrijp wat je bedoelt. Dus wanneer een kind wordt geboren, is zijn belangrijkste evolutionaire drijfveer om in leven te blijven en al die noodzakelijke dingen te doen die zijn instinct hem "vertelt" om dit doel te bereiken? Dus dit "zelfzuchtige" gedrag is aangeboren (nature). Maar al snel, door zijn ervaring met andere kinderen en volwassenen, leert het (nurture) om deel uit te maken van een groep en ontwikkelt het een soort empathie en aanpassing aan de groep. Het gedrag van het kind, om de hoogste kans te hebben om zichzelf te handhaven, wordt gestuurd door gevoelens van gelukkig of ongelukkig zijn. Deze gevoelens zullen het waarschijnlijk in de "juiste" richting sturen. Deze gevoelens zijn niet iets transcendent maar een chemische reactie in de hersenen waar een stofje (dopamine) wordt vrijgemaakt dat die positieve gevoelens opwekt.

TREBLA: Ja, Alex, dat is inderdaad ook hoe ik het zie.

De Term Goed of Kwaad

Als mens zijn we geneigd gebeurtenissen en handelingen te beoordelen als goed of kwaad. We doen dat vanuit onze eigen normen en waarden, die diep geworteld zijn in onze ervaring en cultuur.

Maar als we de neutrale positie innemen die we eerder hebben besproken, moeten we ons afvragen: bestaan 'goed' en 'kwaad' eigenlijk wel buiten het menselijk perspectief?

Zoals Spinoza betoogde: de natuur is amoreel. Wat wij als goed of slecht beschouwen, ontstaat niet in de wereld zelf, maar in onze eigen overwegingen. Wij kunnen de natuur zelden sturen, maar wij kunnen wel bewust worden van de manier waarop wij haar interpreteren.

Om dit beter te begrijpen, helpt het om naar systemen te kijken waarin menselijke moraal geen rol speelt.

De Migratie van de Gnoes

Kernzin:
In de natuur bestaat een functioneel evenwicht waarin lijden en dood geen intrinsieke morele betekenis hebben.

Een indrukwekkend voorbeeld van een ecosysteem vinden we in de jaarlijkse migratie van gnoes op de Serengeti in Afrika, bekend uit documentaires zoals The Great Migration. Enorme kuddes trekken voortdurend van gebied naar gebied op zoek naar vers gras en water. Deze migratie vormt een van de meest dynamische natuurlijke processen op aarde.

Tijdens deze tocht worden de kuddes voortdurend bedreigd door roofdieren zoals leeuwen, hyena’s en krokodillen. Vanuit menselijk perspectief lijkt dit vaak hard en wreed: jonge dieren raken uitgeput, kalveren worden verscheurd en vele dieren sterven onderweg.

Toch ontstaat er een ander beeld wanneer we niet alleen kijken naar het individuele dier, maar naar het functioneren van het ecosysteem als geheel.

De gnoes grazen grote hoeveelheden gras, maar blijven door de voortdurende dreiging van roofdieren in beweging. Juist daardoor krijgt de vegetatie de kans zich opnieuw te herstellen. Wanneer de kuddes te lang op één plek zouden blijven, zou het gras te kort worden afgegraasd, waardoor uiteindelijk voedseltekorten zouden ontstaan, niet alleen voor de gnoes zelf, maar ook voor andere grazende dieren.

De roofdieren vervullen hierin dus onbewust een regulerende functie. Door de jacht dwingen zij de kuddes verder te trekken, waardoor overbegrazing wordt voorkomen en het ecosysteem als geheel in balans blijft.

Tegelijkertijd vormen de gnoes een essentiële voedselbron voor roofdieren. Via het gras nemen de grazers voedingsstoffen op die vervolgens indirect beschikbaar komen voor leeuwen, hyena’s en krokodillen, dieren die zelf geen planten kunnen verteren. De migrerende kuddes functioneren daarmee als een levende stroom van energie en voedingsstoffen binnen het ecosysteem.

Zo ontstaat een voortdurend circulair proces:

Vanuit het perspectief van het ecosysteem lijkt dit bijna een elegant systeem van natuurlijke balans. Leven, dood, groei en verval zijn daarin voortdurend met elkaar verbonden.

Voor het individuele dier ligt dat uiteraard anders. Voor een moedergnoe die haar kalf verliest, of voor een leeuwin die haar welpen niet kan voeden, is het lijden allesbehalve abstract. Wat op systeemniveau evenwicht lijkt, kan op individueel niveau pijn, verlies en strijd betekenen.

Hieruit ontstaat een fundamenteel inzicht:

Begrippen als goed, slecht, mooi of wreed blijken daarmee in zekere zin relatieve begrippen, afhankelijk van het perspectief van waaruit wij naar de werkelijkheid kijken.

Dit sluit aan bij de filosofie van Friedrich Nietzsche (1844–1900), die stelde dat er geen universele, absolute moraal bestaat. Volgens hem zijn begrippen als goed en kwaad geen objectieve eigenschappen van de werkelijkheid, maar menselijke interpretaties die voortkomen uit cultuur, emotie en sociale omstandigheden.

Wanneer we deze gedachte doortrekken naar menselijke samenlevingen, ontstaat een ongemakkelijke maar interessante vraag. Ook menselijke beschavingen zijn afhankelijk van evenwicht: tussen bevolkingsgroei, voedselvoorziening, energiegebruik, grondstoffen en ecologische draagkracht.

In de moderne wereld lijkt dit evenwicht steeds kwetsbaarder te worden. Door technologische vooruitgang heeft de mens veel natuurlijke beperkingen gedeeltelijk weten te overwinnen. Hongersnoden worden bestreden, ziekten genezen en conflicten soms opgelost via diplomatie in plaats van geweld. Tegelijkertijd zorgt de voortdurende groei van de wereldbevolking voor een toenemende druk op ecosystemen, klimaat en natuurlijke hulpbronnen.

De vraag rijst daarom of de mensheid in staat zal zijn vrijwillig een nieuw evenwicht te vinden, of dat grote verstoringen, zoals oorlogen, pandemieën, hongersnoden of ecologische crises, uiteindelijk opnieuw corrigerend zullen optreden, zoals natuurlijke processen dat in ecosystemen vaak doen.

De natuur zelf kent immers geen moreel oordeel. Evenwicht wordt uiteindelijk altijd hersteld, de vraag is slechts tegen welke prijs voor de individuen binnen het systeem.

Pandemie en diversiteit

Een wereld in verwarring

In 2019-2020 brak een pandemie uit die de wereld op zijn grondvesten deed schudden: COVID-19, een virus dat vermoedelijk zijn oorsprong vond in China en zich in razend tempo over de aardbol verspreidde. De vroege beelden uit Italië waren schokkend, dagelijks stierven er tientallen, honderden mensen, en het virus trok gestaag verder noordwaarts door Europa.

Wat volgde was een uniek experiment in crisisbeheer. Niemand wist hoe met dit virus om te gaan. Er bestond geen medicijn, geen vaccin, geen draaiboek. Europese samenwerking leek voor de hand liggend, maar ook op dat niveau tastte men in het duister.

En zo ontstond er een merkwaardige situatie: elk land koos zijn eigen weg:

Wat ontstond, was geen gecoördineerd plan, maar een mozaïek van strategieën.

Eenheid of diversiteit van aanpak?

Een centrale, gecoördineerde aanpak heeft de kracht van eenheid en consistentie. Maar als die aanpak de verkeerde blijkt, zijn de gevolgen enorm en universeel. De gefragmenteerde aanpak die we in werkelijkheid zagen, liet zich achteraf ook anders lezen: als een reeks nationale laboratoria, elk met een eigen methode, elk met eigen resultaten. Pas achteraf weten we welke aanpak het meest levens spaarde, en dat is nu net het tragische, want beslissingen moesten in het heetst van de strijd worden genomen, niet vanuit de luxe van terugblik.

Hier zien we dus dat we eerder hebben verwoordt: het systeem als geheel streeft naar evenwicht, maar voor de subsystemen, landen, volkeren, individuen, veroorzaakt elke verstoring een eigen schok. Net als bij de migratie van gnoes op de Serengeti, waarbij leeuwen en grazers elk vanuit hun eigen perspectief het systeem ervaren, kan geen enkel land in een pandemie neutraal staan tegenover de keuzes die het maakt. En toch: het geheel heeft baat bij variatie.

Het vaccin en de onverwachte tegenstanders

Toen er uiteindelijk vaccins werden ontwikkeld die effectief leken, ontstond er iets opmerkelijks: een aanzienlijke groep mensen weigerde zich te laten vaccineren. Sommigen geloofden in complottheorieën, anderen hadden bezwaren van religieuze of principiële aard. Veel mensen ervoeren dit als frustrerend. Als we nu eens gezamenlijk optrekken, redeneerde men, kunnen we dit virus sneller de kop indrukken. Waarom werkt niet iedereen mee?

Vanuit medisch perspectief werd dit vaak gezien als problematisch of irrationeel. Maar wanneer we opnieuw het evolutionaire perspectief toepassen, ontstaat een andere invalshoek.

De evolutionaire logica achter dwarsheid

Stel je voor dat een vaccin, ondanks alle zorgvuldigheid, ondanks al het testen, een niet-voorziene, fatale fout bevat. Een fout die zich pas na jaren manifesteert. Als de volledige wereldbevolking dit vaccin neemt, is de uitkomst catastrofaal: de mensheid sterft uit. Geen enkel individu, geen enkel systeem van kwaliteitscontrole is onfeilbaar genoeg om dat risico volledig uit te sluiten. Evolutie echter is geen systeem dat op individuen mikt, het werkt op het niveau van de soort. En de soort overleeft niet door uniformiteit, maar door diversiteit. Door variatie. Door het feit dat nooit iedereen hetzelfde doet, volgens de evolutionaire strategie: nooit alle eieren in één mand.

Dit sluit precies aan op onze stelling: dat wanneer men via DNA-manipulatie of andere technieken streeft naar een uniforme, 'geoptimaliseerde' soort, ontstaat er juist een kwetsbaar systeem. Een soort die geperfectioneerd is voor de huidige omstandigheden, maar breekbaar wordt zodra die omstandigheden veranderen.

Vanuit dit perspectief bezien, is de groep die weigerde te vaccineren, om welke reden dan ook, gegrond of ongegrond, onbewust een verzekeringspolis voor de mensheid als geheel. Als het vaccin perfect werkt, overleven de gevaccineerden en beschermen ze de samenleving. Als het vaccin fataal fout blijkt, zijn het juist de niet-gevaccineerden die de soort voor uitsterving behoeden, zij die zich kunnen voortplanten en de menselijke lijn voortzetten.

Evolutie heeft, door de eeuwen heen, in ons een drang geplant om te overleven, niet als individu, maar als soort. En misschien is scepticisme, wantrouwen, dwarsheid zelfs, een van de instrumenten waarmee die drang zich uitdrukt. Niet elegant, niet bewust, maar effectief in de meest basale zin van het woord.

Wat op individueel niveau irrationeel lijkt, kan op soortniveau functioneel zijn.

Goed en slecht zijn menselijke constructies

Dit brengt ons bij een diepere vraag: was het 'fout' van anti-vaccinatievoorstanders om zich te verzetten? Vanuit een medisch perspectief lijkt het antwoord duidelijk. Maar we moeten oppassen voor precies die vanzelfsprekendheid. Ethische oordelen als 'goed' en 'kwaad' zijn, zoals hij betoogt in navolging van Nietzsche, menselijke constructies. Ze bestaan niet als universele waarheden, maar vloeien voort uit wat op een gegeven moment bevorderlijk lijkt voor het voortbestaan van het individu en de groep.

Nietzsche stelde dat er geen universeel goed of kwaad bestaat. En we kunnen daaraan toevoegen: morele waarden zijn contextueel, pragmatisch en veranderlijk. Wat in de ene situatie als gevaarlijk dwarsliggerij wordt beschouwd, kan in een andere situatie de redding van de soort blijken te zijn.

Dit verandert niets aan de wetenschap achter vaccins, noch rechtvaardigt het ongefundeerde complottheorieën. Maar het nodigt wel uit tot een ander soort begrip, en tot bescheidenheid in ons morele oordeel.

De paradox van gelijkheid, en de kracht van verschil

Er is nog een dimensie die hier relevant is, en die we hieronder uitvoerig bespreken in hoofdstuk: de paradox van gelijkheid. De mensheid streeft voortdurend naar meer uniformiteit, meer consensus, meer eenheid. Dat streven is begrijpelijk en in veel opzichten waardevol. Maar hier geldt een fundamentele wet van de natuur: energie stroomt altijd van ongelijkheid naar gelijkheid. Zonder verschil geen beweging. Zonder spanning geen leven.

Twee regentonnen die even vol zijn, stromen niet. Wind ontstaat door luchtdrukverschillen. Rivieren stromen omdat het ene punt hoger ligt dan het andere. Het leven zelf is afhankelijk van gradiënten en energieverschillen. Volledige gelijkheid zou in de praktijk stilstand betekenen.

Misschien is de wijsheid niet gelegen in het bereiken van gelijkheid, maar in het bewust en moedig blijven streven ernaar.

Zo bezien is de verdeeldheid rondom het vaccin niet alleen een probleem. Het is ook een uitdrukking van de fundamentele diversiteit die de soort levend houdt. De mensheid overleeft niet ondanks haar interne verdeeldheid, maar soms juist dankzij die interne verdeeldheid.

Besluit: bescheidenheid in het oordeel

De COVID-pandemie confronteerde ons met de grenzen van ons weten. We wisten niet welke aanpak de beste was. We wisten niet of het vaccin absoluut veilig was. We wisten niet waarom mensen zich verzetten. En toch moesten we handelen, snel, collectief, onder druk.

Wat we er achteraf van kunnen leren, is misschien dit: het systeem als geheel, de mensheid als soort, heeft mechanismen ontwikkeld om zichzelf te beschermen, ook als die mechanismen op het eerste gezicht irrationeel of zelfs schadelijk lijken. Diversiteit in gedrag, variatie in reactie, weerstand tegen uniformiteit, het zijn geen tekortkomingen van de menselijke natuur. Het zijn, vanuit evolutionair perspectief, haar meest fundamentele overlevingsstrategieën.

We moeten mensen die anders denken dan wij niet alleen beoordelen op de juistheid van hun redenering. We mogen ook erkennen dat hun afwijkend gedrag, hoe onbedoeld ook, past in een patroon dat de natuur al miljoenen jaren toepast: zorg dat nooit alle eieren in één mand liggen.

De mensheid overleeft niet ondanks haar interne verdeeldheid, maar soms juist dankzij die interne verdeeldheid.

Deze inzichten brengen ons bij een volgende vraag: waar komen onze morele kaders eigenlijk vandaan?

Ontstaan Ethiek en Religie

Kernzin: Ethiek en religie zijn culturele strategieën die voortkomen uit de menselijke behoefte aan houvast en groepscohesie.

We kijken nu naar de invloed van religie op het vormen van ethiek en morele waarden. En in hoeverre, zoals sommigen beweren, dat alleen religie leidt tot normen en waarden, dus tot wat goed en kwaad is. Dat we zonder religie geen goede samenleving zouden kunnen vormen.

Plato (427-347 BC) en Aristoteles (384-322 BC) leefden omstreeks de 3e eeuw voor christus en werden niet beïnvloed door de nog niet bestaande christelijke religie. Toch heeft Aristoteles zijn werk Ethica geschreven. In dit werk vindt men deugden en ondeugden beschreven die sterk overeen komen met de christelijke leer. Dit is niet zo vreemd omdat Thomas van Aquino (1225-1274 AC), 1500 jaar later, het werk van Aristoteles heeft bestudeerd en het idee in de christelijke leer heeft proberen te integreren. Aristoteles heeft Ethica voornamelijk gebaseerd op zijn visie op de mensheid los van religieuze kaders.

Plato verwijst in vele dingen wel naar een god of goden, maar de Griekse goden hadden volgens de Griekse religie zowel goede als kwade eigenschappen. Wat goed of kwaad was, werd dus blijkbaar door Plato zelf bepaald, hij had dus een god nodig en hij vormde die goden vervolgens zodanig dat ze in zijn beeld pasten. Kortom, hij creëerde ze zelf. Hij had ook kritiek op de dichters die de goden beschreven met hun goede en kwade eigenaardigheden. Plato vond dat de dichters alleen maar de goede kant van de goden moest laten zien om zo een voorbeeld te zijn voor de jeugd. Wederom hoe bepaalt Plato hier wat goed en kwaad is? Ook Confucius (551 BC- 479 BC, China) hield zich bezig met moraliteit zonder dat hij religieus was geïnspireerd. Zijn uitspraak “je moet niet de ander iets toewensen wat je niet jezelf toewenst” vinden we in allerlei vormen terug in diverse religies of morele stromingen.

We worden hierdoor alleen maar gesterkt in het idee dat de mens een intrinsiek gevoel voor goed of kwaad heeft. Hoogstwaarschijnlijk een evolutionaire karakteristiek, waarbij goed bedoeld is als voordelig voor het voortbestaan van onszelf en van de groep en kwaad uiteraard als bedreigend voor het voortbestaan van beiden.

Religie kan daarbij een versterkende rol spelen:

Maar dat betekent niet dat zij de bron is.

ALEX: Veel mensen denken dat een god de wereld en de mensheid heeft geschapen. Ze beschouwen het idee van evolutie als in strijd met het idee van schepping. Wat is jouw idee hierover, Trebla?

TREBLA: Zelfs als er een God is die de schepping heeft gedaan, lijkt het mij zeer waarschijnlijk dat hij het mechanisme van evolutie ook als onderdeel van de schepping zou hebben geïntegreerd, omdat dit het proces van het creëren van verschillende soorten levende wezens zou vereenvoudigen. Maar zoals Plato al zei, als we geen idee hebben wie God is, wat zijn invloed is op de levende "wezens" en wat hij van deze wezens verwacht, lijkt het mij beter om dit met rust te laten.

Hume argumenteerde in zijn werk An Enquiry Concerning Human Understanding (1748) dat een verstandig mens zijn geloof aanpast aan het bewijsmateriaal. Hoe onwaarschijnlijker een gebeurtenis is, hoe sterker het bewijs moet zijn om het te geloven.

Benedictus de Spinoza (1632-1677 n. Chr.) beschouwde God als equivalent aan de natuur, een God zonder speciale toewijding aan de mensheid.

Misschien zou het beter zijn geweest als Spinoza deze vergelijking niet had gemaakt, omdat de naam God te beladen is met de historische betekenis van een God die een directe relatie heeft met levende wezens; dit leidt zo al snel tot verwarring.

ALEX: Waarom hebben zoveel mensen dan toch religie nodig?

TREBLA: Misschien omdat mensen moeite hebben met het onbekende. Waar kennis ontbreekt, ontstaat behoefte aan verklaringen.

Neem het verschijnsel donder en bliksem: indrukwekkend, onvoorspelbaar en soms dodelijk. De Vikingen schreven dit toe aan Thor, de god van de donder, de Germanen aan Donar, de Grieken aan Zeus en de Romeinen aan Jupiter. Al deze volkeren leefden ver van elkaar, maar kwamen onafhankelijk tot dezelfde oplossing: een machtige godheid moet hierachter zitten. Vandaag de dag weten we dat donder en bliksem het gevolg zijn van elektrische ontladingen tussen wolken en de aarde, een fenomeen dat volledig verklaarbaar is zonder enige goddelijke tussenkomst.

Hetzelfde geldt voor het noorderlicht. Dit overweldigende natuurspektakel, waarbij de hemel oplicht in golven van groen, rood en paars, werd door de Noormannen gezien als de weerspiegeling van de schilden van de Walkuren, de goddelijke krijgsters die gesneuvelde helden naar Walhalla brachten. De wetenschappelijke verklaring, geladen deeltjes van de zon die in wisselwerking treden met de atmosfeer van de aarde, is minstens even fascinerend, maar vereist geen god.

Dit patroon zien we keer op keer terug: aardbevingen werden door de Grieken toegeschreven aan Poseidon, ziektes aan de woede van goden, de stand van de sterren aan goddelijke wil.

Telkens wanneer de wetenschap een verklaring vond, trok de god zich terug. De goden vulden dus de lege plekken in de menselijke kennis op, wat de filosoof Dietrich Bonhoeffer later treffend omschreef als de "God der gaten".

En voor leiders is het gemakkelijker om mensen te vertellen dat ze zich moeten gedragen volgens de regels van de god, dan om te proberen de mensen met logica te overtuigen dat ze de regels van de leider moeten gehoorzamen. Hier wordt God dus, uit praktische redenen, gebruikt als boeman (Thomas Hobbes 1588-1679: gebruikte hiervoor Leviathan). Dus in feite zijn religie en God menselijke constructies.

ALEX: Ik begrijp je standpunt. Inderdaad, als je God niet op een passende manier kunt definiëren, hoe hij eruitziet, wat hij van ons verwacht, wat zijn bedoeling is met ons, of wat we van hem/haar/het kunnen verwachten, dan, wanneer iets zo vaag is gedefinieerd, zullen we gewoon ons leven voortzetten en ons gedrag niet aanpassen aan welk religieus dogma dan ook; vooral als er geen empirisch bewijs is van het bestaan van een hoger wezen.

TREBLA: Wat ethiek en moraliteit betreft, beschouw ik deze ook als menselijke constructies. Er bestaan geen universele goedheid of kwaadheid. Het hangt gewoon af van de groep zelf. Dat de groep probeert te overleven en regels maakt om dit doel te bereiken is begrijpelijk, maar dit kan worden bereikt met verschillende regels. En deze regels veranderen ook in de loop van de tijd. Vroeger was slavernij “normaal”, maar nu zien we heel veel historische zaken in een ander daglicht. Christenen hebben hun regels, evenals moslims, hindoes, boeddhisten, atheïsten of zelfs volgers van ISIS.

We kunen aan de linker- of rechterkant van de weg rijden, daar is niets goed of kwaad aan, het is gewoon een onderlinge overeenkomst tussen mensen om het samenleven gemakkelijker te maken.

ALEX: Dus religie is een soort hulpmiddel?

TREBLA: Ja, een hulpmiddel om orde en betekenis te creëren.

Maar als dat zo is, moeten we voorzichtig zijn om religieuze normen als universeel te beschouwen.

Ethiek lijkt eerder een sociaal contract: een set afspraken die samenwerking mogelijk maakt.

En daarmee komen we bij een volgende stap in onze verkenning: Is dat contract primair gericht op het individu, of op de groep?