Hoe werd de mens zoals hij nu is?
Kernzin: De mens is geëvolueerd als een soort die zijn overleving verzekert via genetische drijfveren, variatie en sociale samenwerking.
TREBLA: Om een idee te krijgen van hoe de huidige mens is zoals hij vandaag is, kunnen we via de volgende lijn van denken reizen. Dit denken is hier voornamelijk gebaseerd op de evolutietheorie.
Er kunnen verschillende manieren zijn geweest waarop de evolutie van de mens heeft plaatsgevonden, waarbij verschillende, onbewuste eigenschappen en gedragsstrategieën zijn ontstaan. Alleen eigenschappen die onder bepaalde omstandigheden bijdroegen aan overleving en voortplanting, konden door natuurlijke selectie vaker worden doorgegeven. Het resultaat daarvan is de mens zoals we die nu kennen.
Hier moeten we een onderscheid maken tussen de mens als individu en de mens als soort. Het leven van het individu is tijdelijk, terwijl de menselijke populatie door de generaties heen blijft bestaan. De soort bestaat echter niet als een afzonderlijk, tastbaar organisme. Zij bestaat uit individuele mensen die in de loop van de tijd worden geboren en sterven. Uiteraard geldt dat ook voor andere soorten, zowel dieren als planten.
Daaruit ontstaat een interessante vraag: welke eigenschappen van individuen kunnen ertoe hebben bijgedragen dat menselijke populaties door de generaties heen konden blijven voortbestaan?
Er zijn nu enkele opties:
- Elk individu is in belangrijke mate gericht op het voortbestaan van de groep als geheel.
- Het gedrag van elk individu is in belangrijke mate gericht op zijn eigen overleving en voortplanting, waarbij het voortbestaan van de groep daaruit mede kan voortkomen.
- De groep bestaat uit een combinatie van individuen met verschillende vormen en gradaties van deze eigenschappen.
Wat betreft optie 1: wanneer individuen zich structureel en zonder eigen belang zouden opofferen voor de groep, kan dat hun eigen overleving en voortplanting verminderen. Dat maakt het moeilijk om dergelijke eigenschappen uitsluitend vanuit het belang van de groep te verklaren.
ALEX: Dus de soort is eigenlijk belangrijker dan het individu?
TREBLA: Niet noodzakelijk. Vanuit evolutionair perspectief is het aannemelijk dat eigenschappen die onder bepaalde omstandigheden de overlevings- en voortplantingskansen van individuen of hun genetische verwanten vergroten, door natuurlijke selectie vaker kunnen worden doorgegeven. Een mogelijk gevolg daarvan is dat individuen ook gedrag vertonen dat de groep ondersteunt, omdat samenwerking onder veel omstandigheden juist de overlevings- en voortplantingskansen van het individu kan vergroten.
Zoals we weten, heeft een persoon slechts een beperkte levensduur. Toch kunnen eigenschappen en genetische informatie via kinderen en volgende generaties worden doorgegeven. Dit zijn geen bewuste acties met een vooraf bepaald doel, maar gevolgen van eigenschappen en gedragingen die in de loop van de evolutie zijn geselecteerd. Het evolutionaire proces is dus niet teleologisch: het streeft niet bewust naar een vooraf bepaald einddoel.
ALEX: Het lijkt erop dat door evolutie eigenschappen zijn ontstaan die ertoe bijdragen dat genetische informatie wordt doorgegeven, waardoor populaties onder bepaalde omstandigheden in stand kunnen blijven. Waarbij egoïsme en samenwerking geen tegenstellingen hoeven te zijn.
TREBLA: Precies. Ze kunnen elkaar versterken. Een individu dat zichzelf beschermt, heeft onder bepaalde omstandigheden voordeel bij samenwerking met anderen. En omgekeerd kan samenwerking de overlevingskansen van het individu vergroten.
Wanneer een individu een partner vindt, kan het gedrag dat gericht is op het onderhouden van die relatie en op de zorg voor eventuele nakomelingen bijdragen aan het doorgeven van genetische eigenschappen. Dit gebeurt niet bewust met het doel de soort in stand te houden. Het zijn drijfveren en gedragingen die in de loop van de evolutie zijn ontstaan en onder bepaalde omstandigheden de overlevings- en voortplantingskansen hebben vergroot.
Deze drijfveren kunnen onder andere betrekking hebben op:
- zelfbehoud
- voortplanting
- zorg voor verwanten
- samenwerking met anderen
ALEX: En variatie tussen mensen?
TREBLA: Essentieel. Variatie binnen een populatie kan de veerkracht vergroten wanneer omstandigheden veranderen. Individuen verschillen van elkaar in allerlei eigenschappen. Wanneer de omstandigheden veranderen, kunnen bepaalde eigenschappen in die nieuwe omstandigheden een voordeel bieden. Individuen die daar beter bij passen, hebben dan gemiddeld een grotere kans om te overleven en zich voort te planten, waardoor die eigenschappen in volgende generaties vaker kunnen voorkomen.
Als we bijvoorbeeld via DNA-manipulatie of voortplantingstechnieken zouden proberen een populatie genetisch zo uniform mogelijk te maken rond eigenschappen die op dat moment optimaal lijken, kan dat de populatie kwetsbaarder maken voor onverwachte veranderingen in de omgeving. Een eigenschap die onder de huidige omstandigheden optimaal lijkt, hoeft dat onder toekomstige omstandigheden niet te zijn.
Daarom kan genetische en gedragsmatige variatie van grote betekenis zijn voor de continuïteit van populaties. Evolutie heeft immers geen kennis van de toekomstige omstandigheden. Variatie zorgt ervoor dat binnen een populatie verschillende eigenschappen aanwezig kunnen zijn die onder veranderende omstandigheden mogelijk voordeel bieden.
ALEX: Ik begrijp wat je bedoelt. Dus wanneer een kind wordt geboren, zijn bepaalde evolutionair gevormde drijfveren gericht op zaken als overleven, voortplanting en sociale verbondenheid. Maar al snel leert het kind door ervaringen met andere kinderen en volwassenen hoe het deel kan uitmaken van een groep en ontwikkelt het onder andere empathie en het vermogen zich aan anderen aan te passen.
TREBLA: Ja. Nature en nurture werken daarbij voortdurend op elkaar in. Het gedrag van een kind wordt beïnvloed door aangeboren eigenschappen én door ervaringen, omgeving en sociale interactie. Gevoelens van plezier, angst, veiligheid en ongemak spelen daarbij een belangrijke rol. Deze gevoelens hangen samen met complexe processen in de hersenen, waarbij verschillende neurotransmitters en andere biologische mechanismen betrokken zijn. Dopamine speelt bijvoorbeeld een rol bij motivatie, beloning en leren, maar kan niet simpelweg worden beschouwd als het stofje dat geluk veroorzaakt.
De Term Goed of Kwaad
Als mens zijn we geneigd gebeurtenissen en handelingen te beoordelen als goed of kwaad. We doen dat vanuit onze eigen normen en waarden, die diep geworteld zijn in onze ervaring en cultuur.
Maar als we de neutrale positie innemen die we eerder hebben besproken, moeten we ons afvragen: bestaan 'goed' en 'kwaad' eigenlijk wel buiten het menselijk perspectief?
Zoals Spinoza betoogde, kunnen we de natuur niet eenvoudig beoordelen met menselijke morele categorieën. Wat wij als goed of slecht beschouwen, ontstaat mede vanuit onze eigen waarden en overwegingen. Wij kunnen de natuur zelden volledig sturen, maar we kunnen ons wel bewust worden van de manier waarop wij haar interpreteren.
Om dit beter te begrijpen, helpt het om naar systemen te kijken waarin menselijke moraal geen rol speelt.
De Migratie van de Gnoes
Kernzin:
In natuurlijke ecosystemen hebben lijden en dood voor het individuele dier geen intrinsieke
morele betekenis, terwijl ze op systeemniveau onderdeel kunnen zijn van complexe
ecologische relaties.
Een indrukwekkend voorbeeld van een ecosysteem vinden we in de jaarlijkse migratie van gnoes op de Serengeti in Afrika, bekend uit documentaires zoals The Great Migration. Enorme kuddes trekken voortdurend van gebied naar gebied op zoek naar vers gras en water. Deze migratie vormt een van de meest dynamische natuurlijke processen op aarde.
Tijdens deze tocht worden de kuddes voortdurend bedreigd door roofdieren zoals leeuwen, hyena’s en krokodillen. Vanuit menselijk perspectief lijkt dit vaak hard en wreed: jonge dieren raken uitgeput, kalveren worden gedood en vele dieren sterven onderweg.
Toch ontstaat er een ander beeld wanneer we niet alleen kijken naar het individuele dier, maar naar het functioneren van het ecosysteem als geheel.
De beweging van de kuddes hangt samen met de beschikbaarheid van voedsel en water en wordt mede beïnvloed door de aanwezigheid van roofdieren. Door begrazing, verplaatsing van dieren, predatie en de groei van vegetatie ontstaan complexe relaties tussen verschillende onderdelen van het ecosysteem.
De gnoes vormen bovendien een belangrijke voedselbron voor roofdieren. Via het gras nemen de grazers voedingsstoffen en energie op die vervolgens via de voedselketen beschikbaar komen voor andere dieren. De migrerende kuddes functioneren daarmee als onderdeel van een voortdurende stroom van energie en voedingsstoffen binnen het ecosysteem.
Zo ontstaat een voortdurend circulair proces:
- de gnoes beïnvloeden de graslanden door begrazing;
- roofdieren beïnvloeden het gedrag en de aantallen van de gnoes;
- en beide maken deel uit van een groter netwerk van ecologische relaties.
Vanuit het perspectief van het ecosysteem zien we daardoor samenhang tussen leven, dood, groei en verval.
Voor het individuele dier ligt dat uiteraard anders. Voor een moedergnoe die haar kalf verliest, of voor een leeuwin die haar welpen niet kan voeden, is het lijden allesbehalve abstract. Wat op systeemniveau een ecologische samenhang lijkt, kan op individueel niveau pijn, verlies en strijd betekenen.
Hieruit ontstaat een fundamenteel inzicht:
- op systeemniveau zien we samenhang en dynamiek;
- op individueel niveau ervaren levende wezens lijden en onzekerheid.
Begrippen als goed, slecht, mooi of wreed blijken daarmee in zekere zin relatieve begrippen, afhankelijk van het perspectief van waaruit wij naar de werkelijkheid kijken.
Dit sluit aan bij de filosofie van Friedrich Nietzsche (1844–1900), die de vanzelfsprekendheid van universele en absolute morele waarden ter discussie stelde. Vanuit zijn perspectief kunnen begrippen als goed en kwaad worden gezien als menselijke interpretaties die voortkomen uit onder andere cultuur, waarden, behoeften en sociale omstandigheden.
Wanneer we deze gedachte doortrekken naar menselijke samenlevingen, ontstaat een ongemakkelijke maar interessante vraag. Ook menselijke beschavingen zijn afhankelijk van een voortdurend veranderende verhouding tussen bevolkingsgroei, voedselvoorziening, energiegebruik, grondstoffen en ecologische draagkracht.
In de moderne wereld lijkt dit evenwicht steeds kwetsbaarder te worden. Door technologische vooruitgang heeft de mens veel natuurlijke beperkingen gedeeltelijk weten te overwinnen. Hongersnoden worden bestreden, ziekten behandeld en conflicten soms opgelost via diplomatie in plaats van geweld. Tegelijkertijd zorgt de voortdurende groei van de wereldbevolking voor een toenemende druk op ecosystemen, klimaat en natuurlijke hulpbronnen.
De vraag rijst daarom of de mensheid in staat zal zijn vrijwillig een nieuw evenwicht te vinden, of dat grote verstoringen, zoals oorlogen, pandemieën, hongersnoden of ecologische crises, uiteindelijk veranderingen zullen afdwingen.
De natuur kent immers geen moreel oordeel. Wanneer omstandigheden veranderen, veranderen ecosystemen mee. Soms ontstaat daarbij een nieuw evenwicht, maar soms ook langdurige instabiliteit, sterke veranderingen of het verdwijnen van soorten. De vraag is daarom niet of de natuur een moreel evenwicht herstelt, maar welke gevolgen veranderingen hebben voor de individuen en soorten die daarvan deel uitmaken.
Pandemie en diversiteit
Een wereld in verwarring
In 2019–2020 brak een pandemie uit die de wereld op zijn grondvesten deed schudden: COVID-19. Het virus verspreidde zich in korte tijd over grote delen van de wereld. De vroege beelden uit Italië waren schokkend; ziekenhuizen raakten zwaar belast en grote aantallen mensen overleden.
Wat volgde was een ongekende situatie in crisisbeheer. Niemand wist aanvankelijk precies hoe met dit nieuwe virus moest worden omgegaan. Er bestond geen medicijn, geen vaccin, geen draaiboek. Europese samenwerking leek voor de hand liggend, maar ook op dat niveau tastte men in het duister.
En zo ontstond er een merkwaardige situatie: verschillende landen en regio's kozen verschillende strategieën:
- sommige sloten hun samenleving grotendeels af
- andere kozen voor een meer open benadering
- en tussen deze uitersten bestonden veel verschillende varianten.
Wat ontstond, was geen gecoördineerd plan, maar een mozaïek van strategieën.
Eenheid of diversiteit van aanpak?
Een centrale, gecoördineerde aanpak heeft de kracht van eenheid en consistentie. Maar als die aanpak verkeerd blijkt, kunnen de gevolgen groot zijn. Een meer gevarieerde aanpak heeft als voordeel dat verschillende strategieën tegelijkertijd kunnen worden toegepast en vergeleken. Achteraf kunnen we beter beoordelen welke maatregelen onder bepaalde omstandigheden effectief waren, maar beslissingen moesten worden genomen op het moment dat de kennis nog beperkt was.
Hier zien we dus opnieuw wat we eerder hebben verwoord: verschillende onderdelen van een systeem kunnen verschillend reageren op dezelfde verstoring. Voor landen, groepen en individuen heeft een pandemie telkens een eigen betekenis en impact. Tegelijkertijd kan variatie in aanpak waardevol zijn wanneer de juiste strategie vooraf niet bekend is.
Het vaccin en de onverwachte tegenstanders
Toen er uiteindelijk vaccins werden ontwikkeld, ontstond er iets opmerkelijks: een aanzienlijke groep mensen koos ervoor zich niet te laten vaccineren. Sommigen hadden medische of principiële bezwaren, anderen vertrouwden de overheid of de farmaceutische industrie niet, en weer anderen werden beïnvloed door complottheorieën.
Veel mensen ervoeren dit als frustrerend. Als we gezamenlijk optrekken, redeneerde men, kunnen we het virus sneller onder controle krijgen. Waarom werkt niet iedereen mee?
Vanuit medisch en maatschappelijk perspectief kon vaccinweigering daarom als problematisch worden beschouwd. Maar wanneer we opnieuw het evolutionaire perspectief toepassen, kunnen we een andere vraag stellen: is het onder omstandigheden altijd verstandig dat een populatie volledig dezelfde keuze maakt?
De evolutionaire waarde van variatie
Stel je voor dat een nieuwe technologie of medische interventie, ondanks uitgebreide tests en voorzorgsmaatregelen, een onverwacht risico bevat. Wanneer iedereen exact dezelfde keuze maakt, kan een fout in die keuze grote gevolgen hebben. Een populatie waarin verschillende strategieën of gedragingen voorkomen, kan onder bepaalde omstandigheden juist beter bestand zijn tegen onzekerheid
Dit betekent niet dat iedere afwijkende keuze verstandig of nuttig is. Evenmin betekent het dat vaccinweigering tijdens de COVID-pandemie achteraf als evolutionair noodzakelijk moet worden beschouwd. Het betekent slechts dat variatie binnen een populatie onder onzekere omstandigheden een zekere robuustheid kan bieden.
Daarin schuilt een belangrijk evolutionair principe: niet alle individuen hoeven onder alle omstandigheden hetzelfde te reageren.
ALEX: Dus wat op individueel niveau irrationeel lijkt, kan op populatieniveau soms toch een functie hebben?
TREBLA: Ja, maar we moeten daar voorzichtig mee zijn. Het feit dat een gedrag mogelijk nuttig kan zijn in een bepaald scenario, betekent niet dat het gedrag daarom evolutionair is ontstaan of dat het in de huidige situatie ook nuttig is.
Dat onderscheid is belangrijk. Evolutie heeft geen vooruitziende blik. Variatie blijft bestaan omdat verschillende eigenschappen onder verschillende omstandigheden verschillende gevolgen kunnen hebben.
Goed en slecht zijn menselijke constructies
Dit brengt ons bij een diepere vraag: was het 'fout' van mensen om zich tegen vaccinatie te verzetten? Vanuit een medisch perspectief kunnen we bepaalde keuzes beoordelen op basis van beschikbare wetenschappelijke kennis en de risico's en voordelen die daaruit naar voren komen.
Maar vanuit filosofisch perspectief kunnen we daarnaast vragen hoe wij begrippen als 'goed' en 'kwaad' definiëren. Zoals Nietzsche betoogde, zijn morele waarden niet eenvoudig los te zien van menselijke interpretatie, cultuur en omstandigheden.
Dit verandert niets aan de wetenschap achter vaccins en rechtvaardigt geen ongefundeerde complottheorieën. Het betekent ook niet dat iedere mening even goed onderbouwd is. Het nodigt wel uit tot een onderscheid tussen de juistheid van een bewering en de functie die variatie van gedrag binnen een populatie kan hebben.
Wat in de ene situatie als gevaarlijke dwarsliggerij wordt beschouwd, kan in een andere situatie een onverwachte bron van informatie of aanpassing blijken te zijn.
De paradox van gelijkheid, en de kracht van verschil
Er is nog een dimensie die hier relevant is en die we in hoofdstuk 8, De paradox van gelijkheid, uitvoerig bespreken.
De mensheid streeft voortdurend naar meer uniformiteit, meer consensus en meer eenheid. Dat streven is begrijpelijk en in veel opzichten waardevol. Maar verschillen en gradiënten spelen in de natuur een belangrijke rol. Veel vormen van beweging en energieoverdracht ontstaan juist doordat er verschillen bestaan.
Twee regentonnen die even vol zijn, stromen niet van de ene naar de andere. Wind ontstaat door luchtdrukverschillen. Rivieren stromen onder invloed van hoogteverschillen. Veel biologische processen zijn afhankelijk van concentratieverschillen en energiegradiënten.
Volledige gelijkheid zou daarom in veel natuurlijke processen juist betekenen dat bepaalde vormen van beweging verdwijnen.
Misschien is de wijsheid niet gelegen in het bereiken van volledige gelijkheid, maar in het bewust en voortdurend zoeken naar een evenwicht tussen gelijkwaardigheid en verschil.
Zo bezien is verdeeldheid rondom een maatschappelijk vraagstuk niet uitsluitend een probleem. Het kan ook een uitdrukking zijn van de fundamentele diversiteit binnen een populatie. De mensheid kan onder bepaalde omstandigheden voordeel hebben van het feit dat niet iedereen hetzelfde denkt of handelt.
Besluit: bescheidenheid in het oordeel
De COVID-pandemie confronteerde ons met de grenzen van ons weten. We wisten aanvankelijk niet welke aanpak de beste was. We wisten niet hoe het virus zich precies zou ontwikkelen en welke maatregelen op langere termijn de beste resultaten zouden opleveren. En toch moesten we handelen, snel, collectief en onder grote druk.
Wat we er achteraf van kunnen leren, is misschien dit: wanneer mensen geconfronteerd worden met onzekerheid, ontstaan verschillende reacties en strategieën. Sommige daarvan blijken achteraf effectief, andere niet. Het bestaan van die variatie is op zichzelf geen bewijs dat iedere reactie waardevol is, maar het kan wel voorkomen dat een populatie volledig afhankelijk wordt van één enkele strategie.
Diversiteit in gedrag, variatie in reactie en weerstand tegen volledige uniformiteit hoeven daarom niet uitsluitend tekortkomingen van de menselijke natuur te zijn. Vanuit evolutionair perspectief kunnen zij onder bepaalde omstandigheden bijdragen aan de veerkracht van een populatie.
We moeten mensen die anders denken dan wij daarom niet alleen vanuit onze eerste morele reactie beoordelen. We kunnen hun redenering kritisch onderzoeken en tegelijkertijd erkennen dat variatie binnen een populatie een belangrijk onderdeel van evolutionaire verandering is.
De mensheid kan onder bepaalde omstandigheden juist voordeel hebben van haar interne diversiteit.
Deze inzichten brengen ons bij een volgende vraag: waar komen onze morele kaders eigenlijk vandaan?
Ontstaan Ethiek en Religie
Kernzin: Ethiek en religie kunnen worden gezien als culturele systemen die bijdragen aan houvast, betekenis en groepscohesie.
We kijken nu naar de invloed van religie op het vormen van ethiek en morele waarden. En in hoeverre, zoals sommigen beweren, religie noodzakelijk is voor normen en waarden, dus voor onze opvattingen over goed en kwaad. De vraag is of we zonder religie een goede samenleving zouden kunnen vormen.
Plato (427–347 v.Chr.) en Aristoteles (384–322 v.Chr.) leefden vóór het ontstaan van het christendom. Toch schreef Aristoteles zijn Ethica, waarin deugden en ondeugden worden beschreven die op sommige punten overeenkomsten vertonen met latere christelijke opvattingen. Dit is niet zo vreemd, omdat Thomas van Aquino (1225–1274) ongeveer vijftien eeuwen later het werk van Aristoteles bestudeerde en veel van diens filosofie in de christelijke leer probeerde te integreren. Aristoteles ontwikkelde zijn ethische filosofie vanuit zijn eigen visie op de mens en de menselijke samenleving, zonder gebruik te maken van christelijke religieuze kaders.
Plato verwijst in veel van zijn werken wel naar goden, maar de Griekse goden hadden volgens de Griekse mythologie zowel goede als slechte eigenschappen. Plato stelde zelf vragen over de manier waarop goden aan mensen werden voorgesteld en welke invloed dergelijke verhalen op de jeugd konden hebben. Ook Confucius (551–479 v.Chr.) hield zich bezig met moraliteit zonder dat zijn denken afhankelijk was van het latere christelijke kader. Zijn bekende gedachte dat men een ander niet moet aandoen wat men zelf niet wenst te ondergaan, vinden we in verschillende vormen terug in diverse religies en morele stromingen.
Dit versterkt de gedachte dat mensen ook buiten religieuze kaders kunnen nadenken over goed en kwaad. Mogelijk heeft de menselijke neiging om onderscheid te maken tussen bevorderlijk en schadelijk gedrag bovendien een evolutionaire basis, waarbij gedrag dat samenwerking en overleving bevordert anders wordt gewaardeerd dan gedrag dat deze bedreigt.
Religie kan daarbij een versterkende rol spelen:
- zij biedt structuur
- zij legitimeert regels
- zij vergroot groepscohesie
Maar dat betekent niet noodzakelijk dat religie de oorspronkelijke bron van alle morele gevoelens of normen is.
ALEX: Veel mensen denken dat een god de wereld en de mensheid heeft geschapen. Ze beschouwen het idee van evolutie als in strijd met het idee van schepping. Wat is jouw idee hierover, Trebla?
TREBLA: Zelfs als er een God is die de schepping heeft gedaan, zou het logisch mogelijk zijn dat evolutie onderdeel van die schepping is. Maar daarover kunnen we zonder empirisch bewijs geen betrouwbare uitspraak doen. Zoals Plato al liet zien, ontstaat er een probleem zodra we aannemen dat we precies weten wie of wat God is, welke eigenschappen God heeft en wat God van de mens verwacht. Daarom lijkt het mij beter om dergelijke uitspraken niet als vaststaande kennis te presenteren.
Hume argumenteerde in zijn werk An Enquiry Concerning Human Understanding (1748) dat een verstandig mens zijn geloof moet afstemmen op het beschikbare bewijsmateriaal. Hoe onwaarschijnlijker een gebeurtenis is, hoe sterker het bewijs moet zijn om haar te aanvaarden.
Benedictus de Spinoza (1632–1677) identificeerde God op een bijzondere manier met de natuur, zonder God te beschouwen als een wezen dat speciaal voor de mensheid ingrijpt.
Misschien leidt juist het gebruik van het woord 'God' gemakkelijk tot verwarring, omdat het woord door verschillende religieuze tradities heel verschillende betekenissen heeft gekregen.
ALEX: Waarom hebben zoveel mensen dan toch religie nodig?
TREBLA: Misschien omdat mensen moeite hebben met het onbekende. Waar kennis ontbreekt, ontstaat vaak behoefte aan verklaringen en betekenis.
Neem het verschijnsel donder en bliksem: indrukwekkend, onvoorspelbaar en soms dodelijk. Verschillende culturen verbonden dergelijke verschijnselen met goden. De Vikingen associeerden donder met Thor, de Germanen met Donar, de Grieken met Zeus en de Romeinen met Jupiter. Vandaag de dag weten we dat donder en bliksem natuurlijke verschijnselen zijn die wetenschappelijk kunnen worden verklaard zonder een beroep te doen op goddelijke tussenkomst.
Hetzelfde geldt voor het noorderlicht. Dit overweldigende natuurspektakel werd in verschillende culturen verbonden met bovennatuurlijke verklaringen. De wetenschappelijke verklaring — geladen deeltjes van de zon die in wisselwerking treden met de atmosfeer van de aarde — is minstens even fascinerend, maar vereist geen goddelijke verklaring.
Dit patroon zien we vaker in de geschiedenis: verschijnselen die aanvankelijk onverklaarbaar waren, werden toegeschreven aan bovennatuurlijke oorzaken. Naarmate wetenschappelijke kennis toenam, konden veel van deze verschijnselen natuurlijk worden verklaard.
Naarmate de wetenschap voor steeds meer verschijnselen natuurlijke verklaringen vond, werd voor sommige verschijnselen een beroep op goddelijke verklaringen minder noodzakelijk. Goden werden daardoor soms gebruikt om de lege plekken in de menselijke kennis te verklaren, wat de filosoof Dietrich Bonhoeffer later treffend omschreef als de "God der gaten".
Voor leiders kan religie bovendien een krachtig middel zijn om regels en sociale orde te legitimeren. Het is soms gemakkelijker mensen te vertellen dat een regel door een god is voorgeschreven dan hen uitsluitend met rationele argumenten van de noodzaak ervan te overtuigen. Thomas Hobbes beschreef in Leviathan de belangrijke rol van macht, autoriteit en het sociale contract bij het handhaven van orde.
Hieruit volgt echter niet automatisch dat religie als geheel slechts een menselijke constructie is. Dat blijft een filosofische interpretatie en geen empirisch bewezen conclusie.
ALEX: Ik begrijp je standpunt. Als we God niet op een toetsbare manier kunnen definiëren — wie of wat God is, welke invloed God heeft op levende wezens en wat God van ons verwacht — dan is het moeilijk om religieuze uitspraken als empirische kennis te behandelen.
TREBLA: Wat ethiek en moraliteit betreft, beschouw ik deze ook als menselijke constructies in de zin dat wij zelf de begrippen en regels formuleren waarmee we gedrag beoordelen. Of er daarnaast universele morele waarden bestaan, is een filosofische vraag waarop geen eenvoudig empirisch antwoord bestaat.
Dat de groep probeert te overleven en regels maakt om samenwerking mogelijk te maken is begrijpelijk, maar dit kan met verschillende regels worden bereikt. Die regels veranderen bovendien in de loop van de tijd. Vroeger was slavernij in veel samenlevingen normaal, terwijl wij die praktijk tegenwoordig vanuit andere morele kaders beoordelen. Verschillende religies en niet-religieuze wereldbeelden hebben verschillende opvattingen ontwikkeld over goed en kwaad.
We kunnen aan de linker- of rechterkant van de weg rijden; daar is op zichzelf niets moreel goeds of kwaads aan. Het is een onderlinge afspraak die het samenleven en verkeer gemakkelijker maakt.
ALEX: Dus religie is een soort hulpmiddel?
TREBLA: Ja, een hulpmiddel om orde en betekenis te creëren.
Maar als dat zo is, moeten we voorzichtig zijn om religieuze normen zonder meer als universeel te beschouwen.
Ethiek lijkt in ieder geval gedeeltelijk op een sociaal contract: een geheel van normen en afspraken die samenwerking binnen een groep mogelijk maken. Of alle ethiek daartoe kan worden gereduceerd, blijft echter een open filosofische vraag.
En daarmee komen we bij een volgende stap in onze verkenning: Is dat contract primair gericht op het individu, of op de groep?